Discourstheorie, Strafrecht, en Criminologie

Mathieu Deflem
www.mathieudeflem.net

Gepubliceerd in Panopticon 16(1):86-96 (1996). Ook voor download in pdf formaat.

Te citeren als: Deflem, Mathieu. 1996. “Discourstheorie, Strafrecht, en Criminologie.” Panopticon 16(1):86-96.


Dit document werd met een Engelstalig programma gescand. Zodoende zullen er enkele of meerdere foutjes binnengeslopen zijn, waarvoor bij deze mijn verontschuldigingen. Raadpleeg de pdf voor een exacte versie. 

De kritische theorie van Jurgen Habermas heeft gedurende het laatste decennium heel wat belangstelling uitgelokt vanwege criminologen en strafrechtstheoretici. Problematisch evenwel is de inconsistente wijze waarop Habermas' theorie tot nog toe aanleiding heeft gegeven tot een waaier van verscheiden opvattingen in de studie van strafrecht en criminologie, evenals (en grotendeels het gevolg van) het fragmentaire karakter van zijn rechtstheorie. Met zijn recente publikatie Faktizitat und Geltung heeft Habermas (1992) de rechtstheoretische lijn die hij in enkele vroegere werken reeds uitgestippeld had consequent doorgetrokken en een grondige uiteenzetting geleverd over de plaats van het recht in de moderne democratische samenleving.

In deze bijdrage wil ik de laatste ontwikkelingen in Habermas' rechtstheorie bespreken, enerzijds, in het licht van Habermas' vroegere uiteenzettingen omtrent het recht (Deel I), en, anderzijds, met betrekking tot enkele theoretische knelpunten in de studie van strafrecht (Deel II) en criminologie (Deel III). Ik zal slechts de belangrijkste contouren van Habermas' theorie van het recht en haar (ondertussen zeer grote) invloed in de literatuur kunnen aangeven, maar de lezer mag via deze thematische bespreking althans een nuttige toegang kunnen vinden tot dit groeiend debat.

I. Het Recht tussen Droom en Werkelijkheid: De Onvoltooide Continuiteit van Habermas' Rechtstheorie

De publicatie van Faktiziat und Geltung (voortaan F&G) was door Habermas reeds herhaaldelijk aangekondigd maar heeft enigszins op zich laten wachten. Waarschijnlijk heeft daarbij vooral meegespeeld dat Habermas aanvankelijk dacht dat hij de thema's die hij besprak in de "Tanner Lectures" (Habermas 1988a,b) verder uit zou kunnen werken zonder al te veel verschuivingen in zijn denken teweeg te brengen. Bij deze kan alvast gesteld worden dat dat niet gelukt is: F&G biedt in verscheidene opzichten een andere theorie van het recht dan Habermas voorheen presenteerde.

Alhoewel de publicatie van F&G van relatief recente datum is - het boek verscheen op het einde van 1992 - heeft het werk reeds aanleiding gegeven tot een goot aantal besprekingen en een waaier van ruimer opgevatte thematische discussies. Daarmee heeft Habermas alvast bewerkstelligd dat de kritische theorie nu over een bediscuteerbaar perspectief van recht en democratie beschikt, hetgeen vanuit een meer traditionele Marxistische opvatting niet geheel evident kan genoemd worden. In onderstaande presentatie van enkele thema's rond F&G zal ik Habermas' discussie van het recht centraal stellen (ietwat ten koste van zijn democratietheorie) en vooral wijzen op de evolutie in zijn rechtsdenken sinds zijn Theorie des kommunikativen Handelns (1981).

Vatten we eerst even samen hoe Habermas in enkele vroegere werken de maatschappelijke rol van het recht opvatte. Binnen zijn tweeledig samenlevingsperspetief van systeem en leefwereld zag Habermas een dubbele rol weggelegd voor het moderne recht. Van de ene kant "verankerde" het recht de autonome sturing van de systemen van markt en staat en bewerkstelligde aldus de "ontkoppeling" van systeem en leefwereld. Daarbij werd het recht theoretisch opgevat als een institutionalisering van een moreel-praktisch discours. Van de andere kant behandelde Habermas de rol van het recht als medium in de juridisering van eens informeel-geregelde levensvormen. Daarbij was het van belang dat het recht als een systemisch medium van politiek en economie werd ingezet om een "interne kolonisering" van de leefwereld teweeg te bengen. Het centrale probleem in deze theoretische duiding - door Habermas (1988a,b) reeds herkend in de "Tanner Lectures" - betrof het ambivalente karakter van deze formulering. Immers, de onderscheiding tussen het recht als institutie en het recht als medium lijkt het bestaan van twee radicaal gescheiden soorten recht aan te geven: sommige types recht kunnen aanspaak maken op geldigheid, terwijl andere rechtsnormen een puur functionele aangelegenheid zijn. Habermas heeft deze rigide scheiding ondertussen overboord gegooid ten voordele van de suggestie dat het recht in haar geheel vatbaar is voor een moreel-praktische kritiek en steeds een interne spanning verraadt tussen, enerzijds, de aanspraak op legitimiteit, en, anderzijds, de werkelijkheid van haar legaliteit. Daarmee zijn de twee centrale vragen aangegeven die Habermas in F&G bezig houden: 1) wanneer kan recht legitiem of geldig genoemd worden?; en 2) hoe staat de legitimiteit van het recht in verhouding tot haar daadwerkelijke plaats in de moderne samenleving?

Vanaf de eerste bladzijden van F&G introduceert Habermas deze vraagstelling in termen van een spanning tussen facticiteit en gelding. Habermas situeert deze problematiek in een (consistente) reformulering van het communicatieve handelen, want, zoals hij reeds had uiteengezet in zijn theorie van de geldigheidsaanspraken van taalhandelingen (Habermas 1981), is Habermas van mening dat in het communicatieve handelen daarwerkelijk ge‹dealiseerd wordt; dat wil zeggen, feitelijke handelingen vooronderstellen tegelijk ideale aanspraken (met name aanspraken op waarheid, juistheid en oprechtheid). Nu is het Habermas' stelling dat wat voor taalhandelingen geldt, ook voor de samenleving geldt. Daarmee is de reeds genoemde dubbele vraagstelling conceptueel uiteengezet. Het verdere verloop van Habermas' betoog is inderdaad een uitdieping van deze tweeledige problematiek, met name een pleidooi voor het argument dat de stabiliteit van facticiteit en gelding op het vlak van de samenleving door het recht gewaarborgd wordt. Immers, zo stelt Habermas, in een moderne samenleving, d.w.z. een samenleving gekenmerkt door een pluraliteit aan onderscheiden levensvormen, moeten er regels bestaan die tegelijk factische beperkingen (sancties) opleggen en sociaal-integratieve kracht (legitimiteit) hebben. Dit impliceert dat het moderne recht als een "tweeduidig medium" tegelijk positief en legitiem moet zijn (F&G, p. 59).

Vanuit analytisch oogpunt laat het voorgaande zich verstaan als een theoretische middenweg tussen het rechtspositivisme en een idealistische benadering (F&G, pp. 62-90). Habermas spreekt in dit verband geregeld in termen van een overbrugging tussen twee extreme gezichtspunten: een (normatieve) rechtsfilosofie versus een (empirische) rechtssociologie; een theorie van het recht (wat is recht?) versus een theorie van de rechtvaardigheid (wat behoort recht te zijn?); of Hegel's idealisme en de contract-theoretici (Rawls, Dworkin) versus Weber's formalisme, Hart's rechtspositivisme en de systeem-theoretici (Luhmann, Teubner). Hierbij gaat het Habermas niet zozeer om de onjuistheid dan wel de eenzijdigheid van deze perspectieven aan te geven. Daarom stelt hij een benadering van het recht voor, opgebouwd vanuit het algemene kader van de theorie van het communicatieve handelen, die elementen opneemt van ieder van de ondersheiden standpunten en ze op een nieuwe manier weer samenvoegt (F&G, pp. 90-108). Zo presenteert Habermas een dubbel-perspectief dat het recht zowel van binnenuit of normatief als van buitenuit of functioneel-maatschappijlijk reconstueert. We herkennen hierin opnieuw de grondgedachte van Habermas' tweeledig samenlevingsperspectief van leefwereld en systeem dat nu als rechtstheorie een deelnemers-perspectief verzoent met een objectiverende benadering. Vanuit discours-theoretisch oogpunt kan het recht dan gespecifi‰erd worden als die maatschappelijke institutie die, omwille van haar feitelijke dwangmatigheid en aanspraak op legitimiteit, de "scharnierfunctie" van "transformator" tussen systeem en leefwereld vervult (F&G, pp. 77, 78).

Vanuit deze basisopstelling ontvouwt zich de verdere uiteenzetting in F&G als een thematische uitklaring van de stelling van de spanning tussen de positiviteit en de gelding van het recht. Met name verdedigt Habermas de opvatting dat deze spanning zich op onderscheiden manier laat geworden in 1) het stelsel der rechten en de rechtsstaat; 2) de rechtsspraak; 3) de rol van de grondwettelijke rechtsspraak in de verhouding tussen justitie en wetgeving; en 4) de democratische besluitvorming.

Bekeken vanuit het binnen-perspectief van het recht, behandelt Habermas vooreerst het stelsel der rechten, opgevat als dat geheel van principes dat een positief recht altijd moet belichamen om legitiem te kunnen zijn (F&G, pp. 109-237). Hier keert de door Habermas voeger reeds verdedigde stelling terug omtrent de wederzijdse verhouding tussen individuele autonomie en sociale rechtvaardigheid (vrijheid en gelijkheid). In het stelsel der rechten verschijnt de spanning tussen gelding en feitelijkheid inderdaad als een spanning tussen private en publieke autonomie. Habermas geeft aan dit pobleem gestalte door te argumenteren dat private subject- of vrijheidsrechten en publieke of staatsburgerlijke autonomie mekaar geenszins hoeven uit te sluiten. Daarbij verdedigt hij de stelling dat subjectieve rechten enkel intersubjectief verstaan kunnen worden als een aanspraak ten aanzien van anderen. Het stelsel der rechten moet daarom steeds die grondrechten bevatten die voortvloeien uit het recht op het grootst mogelijke gehalte aan subjectieve vrijheden voor eenieder. Legitiem recht kan zodoende niet bestaan zonder wederkerige vrijheid als grondrecht (F&G, p. 155-165).

De spanning binnen het stelsel der rechten vertaalt zich op het vlak van de rechtsstaat als een spanning tussen de aanspraken gesteld in de leefwereld (communicatieve macht) en de feitelijkheid van de van staatswege opgelegde rechtsdwang (administratieve macht) - een spanning waarin het recht een bemiddelende rol speelt. De rechtsstaatsidee kan dan in discours-theoretishe termen worden gespecifi‰erd als de eis dat de administratief-politieke machtscode nauw verbonden blijft met de communicatieve macht van de leefwereld.

De rechtsspraak is op haar beurt gekenmerkt door een spanning tussen de principes van rechtszekerheid (beslissingen moeten getroffen worden) en rechtsbillijkheid (het vermoeden dat juiste beslissingen getroffen zullen worden). Zodoende moet de feitelijkheid dat rechtelijke handelingsverwachtingen van staatswege gesanctioneerd worden er tegelijk ook op kunnen rekenen dat toepassingen van rechtsnormen als juist en acceptabel worden aanvaard. Aangezien iedere rechtsspraak niet anders kan dan ingebed zijn in een reeds bestaand recht (enkel over wetten kan recht gespoken worden), verdedigt Habermas de stelling dat in de rechtsspraak enkel kan nagegaan worden of, en in hoeverre, een bestaande rechtsnorm (legitiem of niet) al dan niet geschikt is ten aanzien van een gegeven situatie. Hiermee neemt Habermas dus duidelijk afstand van de door Robert Alexy voorgestelde these dat het juristisch discours (de rechtsspraaak) als een speciaal geval van een moreel legitimiteitsdiscours kan opgevat worden. Waar Habermas vroeger deze stelling nog had verdedigd (Habermas 1981, pp. 62-63), neemt hij nu de these van Klaus Gnther (1988) over dat het juristisch discours dient beschouwd te worden als een speciaal geval een moreel toepassingsdiscours dat het legitimiteitsvraagstuk onbehandeld op de achtergrond laat (F&G, pp. 281-286; zie Aley 1992, 1993; Gnther 1993; Pourtois 1992). Met andere woorden, volgens Habermas kan in een rechtszaak de geldigheid van een norm niet ter discussie staan maar enkel de geschiktheid van haar toepasbaarheid, hetgeen in hoofdzaak betrekking heeft op een adequate selectie van relevante (en uitsluiting van irrelevante) thema's. Aangezien het recht reeds een specifi‰ring is van een bepaalde moraal kan de rationaliteit van de rechtsspraak niet afhangen van de interne relatie van het recht met morele codes (die taak komt toe aan het reeds besproken stelsel der rechten), noch van de externe relatie tussen recht en politiek (F&G, p. 285). Daarom moet het rationaliteitspobleem in de rechtsspaak teruggrijpen op de rechtslegitimiteit (als een noodzakelijke doch niet voldoende voorwaarde) en deze hangt af van de rationaliteit van het wetgevingsproces. Deze gedachten leiden Habermas tenslotte tot een discussie over de rol van de grondwet (die de rationele schakel tussen justitie en wetgeving moet waarborgen) en de rol van de democratische besluitvorming (die de samenhang tussen de leefwereld en het politiek systeem regelt).

Wat de gondwettelijke rechtsspraak en democratische besluitvorming betreft, kan ik in dit bestek kort zijn: Habermas vat beide in strikt proceduralistische termen op (F&G, pp. 292-398). Een legitieme grondwet behoort volgens Habermas daarom normen en geen waarden te belichamen. Normen, immers, geven aan hoe verschillende levensvormen kunnen geco"rdineerd worden zonder zich uit te laten over de waarden waaraan die levensvormen moeten gehoorzamen (e.g. de gondwet stipuleert godsdientsvrijheid als norm, geen enkele godsdienst als waarde). Habermas specifieert zo ook de democratie die de externe verhouding van deze relatie tussen wetgeving en recht betreft. Immers, aangezien het recht geplaatst is tussen systeem en leefwereld, moet de relatie van het recht met solidariteit (leefwereld) evenals met geld en macht (systeem) gelding waarborgen kunnen. Daarom verdedigt Habermas een democratiebegrip dat als een "subjectloze communicatie" een procedure waarborgt die legitieme wetgeving mogelijk maakt (F&G, p. 362). Bondig geformuleerd komt dit erop neer dat een democratisch besluitvormingsproces zo georganisserd moet zijn dat het geldige rechtsvinding tot stand kan brengen. De relatie tussen democratie en recht betreft dus niet welk recht geldt, maar hoe recht tot stand is gekomen. Daarbij speelt in hoofdzaak mee dat een democratisch bestel een pluraliteit aan levensvormen moet kunnen waarborgen, op te vatten als een pleidooi voor gelijkwaardigheid in het licht van verscheidenheid.

II. Het Strafrecht tussen Norm en Feit

Voorgaande bespreking heeft de lezer duidelijk mogen maken dat Habermas' F&G nauwer aansluit bij het interessedomein van rechtsfilosofen dan dat het concepten aanreikt voor rechtssociologisch onderzoek. Dit is natuurlijk grotendeels het gevolg van de basisoptiek van het boek, samen te vatten in de vraagstelling 'hoe is geldig recht mogelijk?' en beantwoordt met de grondstelling 'geen geldig recht zonder democratie'. Dan is het ook logisch dat Habermas er vooral werk van maakt om het legitimiteitsvraagstuk in idealiserende (niet idealistische) termen uiteen te zetten. Dit heeft er evenwel toe geleid dat Habermas een (wederom) zeer lijvig en (wederom) hoog abstract werk heeft besteed aan een reconstructie van de rationaliteit van legitiem recht. Waarschijnlijk heeft dit ertoe bijgedragen dat verscheidene commentatoren Habermas' stellingen van F&G bekritiseerd hebben als een verdediging van "het zijnde" (Raes 1994, p. 100), met name van de bestaande (Duitse) rechtsstaat (Siep 1992), of het werk afschijven als utopisch (Bader 1994; Vandenberghe 1993), als te normatief (Andersen 1994), als tekortschietend ter verklaring van de interrelaties tussen rechts- en onrechtsstaten (Schlink 1993), of als nutteloos voor de praktijk van het recht (Luhmann 1993b).

Maar beschouwen we Habermas' F&G als een aanvulling op zijn Theorie des kommunikativen Handeln, dan beschikt de discourstheorie nu zowel over een sociale theorie die tot maatschappelijke analyses kan leiden als over een filosofische opstelling die daaraan een kritische toets kan geven. Toegegeven, in F&G laat Habermas zich meer uit over de 'Geltung' dan de 'Faktizit„t' van het recht, maar dat neemt niet weg dat beide momenten (legitimering en instrumentalisering) voor Habermas maatschappelijk mogelijk en theoretisch noodzakeljk zijn. Jammer genoeg hebben voorlopig weinige auteurs van deze suggesties werk gemaakt en dat heeft m.i. het debat omtrent de discourstheorie van het recht weinig vooruit geholpen. Daarom wil ik in de rest van dit artikel verder afzien van strikt theoretische uitweidingen, en meteen aangeven hoe Habermas' theorie kan ingezet worden voor onderzoeksstrategi‰en in de studie van strafrecht en criminologie.

In F&G stelt Habermas dat het strafrecht een bijzondere plaats inneemt binnen het rechtssysteem omdat in het strafrecht normen ter discussie staan die onmiddelijk ('unmittelbar') moreel relevant zijn (F&G, p. 204). Habermas wijdt evenwel verder weinig uit over het strafrecht, waarvoor hij grotendeels naar het werk van Gnther verwijst (F&G, p. 9). Ik ben het eens met de kritiek van Peter Bal (1994a,b) dat Habermas daardoor het gegeven heeft verwaarloosd dat het onmiddelijk morele karakter van het strafrecht niet betekent dat iedere (feitelijke) strafrechtsnorm steeds in morele vorm optreedt en niet voor instrumentalisering vatbaar kan zijn. Voor Bal betekent dit bovenal dat het strafprocesrecht steeds een mensenrechten discours mee in rekening moet nemen zodat indien nodig een re-moralisering van het strafrecht kan volbracht worden. Deze kan doorgevoerd worden op de volgende vlakken: 1) ter bepaling van een strafrechtsnorm (e.g. wat is misdadig?; behoeven bepaalde handelingen strafrechtelijk dan wel burgerrechtelijk behandeld te worden?); 2) voor een determinatie van de voorwaarden van criminalisering (e.g. onder welke omstandigheden zijn abortus en euthanasie misdadig en wanneer niet?); 3) met betrekking tot de ontstaansvoorwaarden van criminaliteit (cf. wat zijn de institutionele contexten van bepaalde vomen van misdadigheid?); en 4) in relatie tot de strafsancties (e.g. welke rechten moeten gewaarborgd worden ondanks vrijheidsverlies?). Op deze wijze kan dus een interne reconstructie van de rechtvaardigheidsproblematiek in het strafrecht voltooid worden. Kritische reflecties in termen van een of andere rechtvaardigheidstheorie zijn ongetwijfeld waardevol omdat ze kunnen aanleiding geven tot belangrijke inzichten tot een verwerkelijking van geldig (en bekritisering van ongeldig) recht. Maar mijns inziens sluit dit niet uit dat een sociologische analyse van recht-als-feitelijkheid vanuit Habermas' perspectief ook mogelijk (en noodzakelijk) is.

Wanneer we er met Habermas van uitgaan dat het recht een scharnierfunctie vervult tusen systeem en leefwereld, kan als (toetsbare) stelling worden opgeworpen dat rechtsnormen onderhevig kunnen zijn aan een bepaalde druk van systemen, die een instrumentalisering of technocratisering van het recht teweeg brengt, en dat het recht tegelijk symbolisch verbonden blijft aan morele eisen, stellingen en tegenstellingen, in de leefwereld. Deze thesis kan bijvoorbeeld toegepast worden in een studie van de Amerikaanse grondwettelijke rechtsspraak omtrent abortus (zie meer in extenso Deflem 1994d). De Amerikaanse abortuswetgeving is geregeld door de individuele staten, maar sinds de opzienbarende gondwettelijke rechtsspraak in Roe v. Wade (1973) heeft het hooggerechtshof (Supreme Court) abortus in de USA feitelijk gelegaliseerd. Het gerecht baseerde zich daarbij op de stelling dat het privacy recht insluit dat vrouwen een ongewenste zwangerschap mogen onderbreken. Dit recht werd absoluut geacht v¢¢r het einde van de eerste trimester van de zwangershap omdat de foetus dan als niet-levensvatbaar wordt beschouwd. Na de eerste trimester mogen de individuele staten, gezien hun belang om potenti‰el leven te beschermen, bepaalde wetgevende grenzen stellen aan het abortusrecht. Gedurende de laatste jaren heeft het hooggerechtshof deze belangen van de staat ruimer ge‹nterpreteerd en zodoende meer restricties opgelegd aan het abortusrecht. In 1989 besliste het gerecht dat de staten geen openbare abortus klinieken hoeven te financieren en dat een medische test wetgevend mag verplicht worden om de levensvatbaarheid van foetussen van minstens 20 weken te bepalen. In 1992 werd het trimester raamwerk van levensvatbaarheid volledig opgegeven zodat de Amerikaanse staten wetgeving kunnen invoeren die op eender welk moment van de zwangershap een medische levensvatbaarheidstest verplichten kan.

Hoe kan men deze situatie nu vanuit Habermas' perspectief ontleden? Op de eerste plaats is er de onlosmakelijke band tussen de abortusrechtsspraak en het Amerikaanse politieke systeem. De abortusrechtsspraak is op vele vlakken in feite een weerspiegeling van de spanningen in het federale politieke stelsel van de USA, meer bepaald tussen de wetgevende bevoegdheden van de individuele staten en de federale regering. Bovendien kan worden vastgesteld dat de presidenti‰le machtswisselingen verregaande inloeden hebben gehad op het abortusdebat, niet in het minst o.w.v. de president‰le bevoegdheid om de leden van het hooggerechtshof te benoemen. Met name tjdens de Republikeinse presidentschappen van Raegan en Bush heeft het hooggerechtshof een ideologische transformatie ondergaan waarbij de anti-abortus opvatting gaandeweg veld heeft gewonnen. Natuurlijk, gezien de individualistische ori‰ntatie van het Amerikaanse rechtssysteem hebben politieke machtsfactoren nooit het fundamentale zelfbeschikkingsrecht inzake abortus in vraag kunnen stellen. Maar men kan daarbij de pluraliteit van de Amerikaanse leefwereld bezwaarlijk als onverdeeld (en simplistisch) 'individualistisch' beshouwen. Zo kan men met Habermas inderdaad wijzen niet zozeer op het opmerkelijke feit dat het abortusrecht in de USA als een recht op privacy wordt verstaan, dan wel dat de houdingen omtrent abortus schier onoverbrugbaar verdeeld zijn tussen 'pro-keuze' en 'pro-leven' houdingen. Op deze wijze geeft de abortusrechtspraak dus inderdaad aan dat "ieder rechtssysteem ook de uitdrukking is van een bepaalde levensvorm" (Habermas 1993d, p. 138).

Tot slot kan men vanuit Habermas' stellingen omtrent de technocratisering van het recht wijzen op de medicalisering van het Amerikaanse abortusrecht. In de beslissing van Roe v. Wade bepaalde het gerecht immers de grens tussen het privacy recht en het belang van de staat door zich op medische gegevens omtrent levensvatbaarheid te beroepen. Daarmee nam het hooggerechtshof in het (zeer normatief geladen) abortusdebat een beslissing door een strikt technologische redenering in te voeren en individuele rechten te transformeren in medische termen. Gezien de grondwettelijke afschaffing van het trimester raamwerk en de vooruitgang die momenteel geboekt wordt op het vlak van reproductietechnologi‰n stelt er zich zodoende het probleem dat het abortusrecht uitgehold kan worden, niet door een inperking van fundamentele rechten, maar door een vernauwing van de levensvatbaarheidsperiode zoals die medisch bepaald wordt. Daarmee, evenals in het licht van de steeds maar groeiende tegenstellingen omtrent abortus, blijkt maar al te duidelijk hoe het recht gevangen is in een strijd tussen feitelijkheid en gelding.

III. Criminaliteit en Sociale Controle tussen Leefwereld en Systeem

In bovenstaande heb ik trachten aan te tonen dat Habermas' theorie van het recht wel degelijk een concrete en tegelijk kritische analyse van het recht in de samenleving mogelijk maakt. Wat daarbij vooral van nut blijkt is de wijze waarop kan gewezen worden op conflicten in de leefwereld die via het recht verticaal in confrontatie staan met de invloeden van politieke en technocratische macht. Dit probleem kan discourstheoretisch aangeduid worden in termen van de relatie tussen leefwereld en systeem. Met deze begripsmatige duiding kunnen we de draad opnemen voor een discussie over de relevantie van Habermas' perspectief voor de studie van criminaliteit en sociale controle.

Zoals ik voorheen heb aangetoond (Deflem 1991, 1992a), is Habermas' kritische theorie al met al van weinig invloed geweest in de criminologie. De uitzondering daarop werd geleverd door bepaalde varianten binnen het structuralistisch en fenomenologisch abolitionisme. Evenwel, ten aanzien van die reconstructies kon worden opgeworpen dat zij Habermas' idee‰n eenzijdig vertaalden, ofwel door duiding van het ontbreken van een inherent verband tussen leefwereld en misdaadconstructies (ter verwaarlozing van een systeemperspectief), of door een beklemtoning van de systeem-instandhoudende structuren van sociale controle (het oog verliezend voor handelingstheoretische dimensies).

In F&G laat Habermas zich jammer genoeg (weer) niet expliciet uit over problemen die in de criminologische theorievorming centraal staan. In zijn discussie over het sanctie-geweld om van staatswege rechtsnormen navolgbare authoriteit te verschaffen, merkt Habermas slechts kort op dat dit element van het recht betrekking heeft op het aspect onder dewelke de staat ter 'dekking' van haar bevelmacht een "kasernierte Gewalt" in reserve heeft (F&G, p. 167). Met deze korte verwijzing naar de politiemacht zijn theorie en onderzoek omtrent sociale controle natuurlijk weinig vooruit geholpen. Dit neemt m.i. evenwel niet weg dat Habermas' theorie toch vruchtbaar kan zijn voor een kritische belichting van criminologisch relevante problemen, met name voor een conceptuele benadering van sociale controle en haar relatie tot misdadigheid.

In aansluiting met een op Habermas gestoelde kritiek van het abolitonisme, en zeker met de stellingen van F&G in gedachte, kan vooreerst gesteld worden dat een theorie van sociale controle oog moet hebben voor het mogelijke gewin dat kan verkregen worden door een democratisering van het strafrecht om aldus haar aanspraak op legitimiteit beter en meer te kunnen garanderen (zie Deflem 1995a). Daarbij kan (vooral ook in relatie met een door Michel Foucault ge‹nspireerde visie) gesteld woden dat ook de zogenaamde "nieuwe" controles (denken we aan bestraffingsalternatieven, informele controle, en hoog-technologische controlemethoden) maatschappelijk steeds ingebed zijn in een spanning tussen een bij rechtvaardigheidsopvattingen aanleunende gelding evenals de feitelijkheid van hun verhoudingen tot de systemen van politiek en economie. Zodoende kan met Habermas gewezen worden op het belang van een criminologische analyse die niet alleen oog heeft voor de (niewe en oude) vormen waaronder sociale controle opduikt (preventief versus repressief, bemiddelend versus bestraffend, enz.), maar ook voor de rationaliteit van sociale controle mechanismen binnen een tweeledig samenlevingsperspectief.

Met deze algemene stellingen in gedachte kan sociale controle dan gespecifi‰erd worden als dat geheel van mechanismen die in een samenleving woden ingezet om proactief of reactief, van staatswege of door particuliere instanties, in te grijpen op misdadigheid, en daarbij onderhevig zijn aan systemische druk vanwege staat en markt, of in nauw verband staan tot aanspraken gesteld in een pluraliteit van leefwerelden. Zodoende vertaalt de spanning tussen leefwereld en systeem zich in een dualiteit van sociale controle.

Deze analytische constructie maakt dan een dubbele theoretische en onderzoeksstrategische beweging mogelijk: een analyse van kolonisering via sociale controle, enerzijds, en de mogelijkheid van democratisering van sociale controle, anderzijds. Bij een op Habermas' theorie gestoelde analyse van de mogelijke processen van een kolonisering van de leefwereld via sociale controle, kan het probleem ontleed worden dat criminalisering niet steeds beantwoordt aan bepaalde verwachtingen in de leefwereld en zodoende legitimiteit mist - een kritiek waarmee we sinds de labelling theorie en het fenomenologish abolitionisme wel vertrouwd zijn. Evenwel, daar moet dan aan worden toegevoegd dat de mechanismen van staat en markt die deze constructies in stand houden ook moeten gelocaliseerd worden - een inzicht dat kon geleerd worden van meer structuralistisch-geori‰nteerd perspectief.

Zo kan op basis van Habermas' tweeledig samenlevingsperspectief gewezen worden op, enerzijds, het systemisch karakter van sociale controle in termen van monetaire en bureaucratische macht, en, anderzijds, het belang van leefwereldlijke opvattingen omtrent recht en onrecht, misdaad en decriminalisering. De realisering van een proceduralistisch opgevatte democratische besluitvorming blijft daarbij natuurlijk de belangrijkste schakel tot verwerkelijking van een legitieme sociale controle. Enkel op deze integrerende wijze lijkt het me dat werk kan gemaakt worden van een realisering van Habermas' theoretisch inzicht dat objectiverende benaderingen en interpretative theorie‰n mekaar horen aan te vullen en ondersteunen.
Besluit

Tot slot wil ik wijzen op enkele nog hangende knelpunten die ten aanzien van Habermas' perspectief kunnen geuit worden. Het risiko lopend me op de reeds overbevolkte trein van Habermas-kritikasters te begeven, kan er vooreerst op gewezen worden dat het niet steeds duidelijk is of Habermas in F&G over gerealiseerd dan wel over een ge‹dealiseerd recht spreekt. Een deel van zijn beweringen lijkt Habermas te staven met verwijzingen naar daadwerkelijk bestaand recht, terwijl een ander deel rationeel gereconstrueerd is. Mogelijk gaat Habermas er vanuit dat legitiem recht deels, of beter potentieel, gerealiseerd is in democratische samenlevingen. Daar zijn natuurlijk ook goede redenen toe, maar in Habermas' uiteenzetting hadden idealiserende en beschrijvende componenten toch duidelijker gescheiden kunnen worden.

Bovendien is Habermas er nog steeds niet van overtuigd dat zijn tweeledig samenlevingsperspectief op analytische wijze misschien van meer waarde kan zijn. Habermas blijft vasthouden aan een strikte, substantieve scheiding tussen verschillende maatschappelijke domeinen, systemen en instituties. Daardoor ontkent Habermas nog steeds iedere vorm van normativiteit in politieke administratie, bureaucratie, en economisch systeem, en iedere vorm van functionaliteit in de componenten van de leefwereld. Habermas' theoretische duiding van het recht, evenwel, dat hij nu als tweeduidig opvat, kan er misschien toe leiden ook andere samenlevingsdomeinen vanuit deze dualiteitsoptiek te beschouwen. Het gestaag groeiende debat omtrent Habermas' kritische theorie, dat nu ook buiten Europa volop bezig is, kan tot zulke poblemen enkel positief bijdragen.

Referenties

ABRAHAM, David, 1994, "Persistent Facts and Compelling Norms: Liberal Capitalism, Democratic Socialism, and the Law", Law & Society Review, 28(4), pp. 939-946.

ALEXY, Robert, 1992, "A Discourse-theoretical Conception of Practical Reason", Ratio Juris, 5, pp. 231-251.

____, 1993, "Justification and Application of Norms", Ratio Juris, 6, pp. 157-170.

____, 1994, "Basic Rights and Democracy in Jrgen Habermas's Procedural Paradigm of the Law", Ratio Juris, 7(2), pp. 227-238.

ANDERSEN, Heine, 1994, "Jrgen Habermas: Faktizit„t und Geltung" (boekbespreking), Acta Sociologica, 37(1), pp. 93-99.

ANGERHN, Emil, 1993, "Das unvollendete Projekt der Demokratie" (bespreking van J. Habermas, Faktizit„t und Geltung), Philosophische Rundschau, 40(4), pp. 257-264.

APEL, Karl-Otto & Matthias KETTNER, (red.) 1992, Zur Anwendung der Diskursethik in Politik, Recht und Wissenshaft, Frankfurt, Suhrkamp.

BADER, Veit-Michael, 1994, "Eenheid van de Communicatieve Rede, Recht en Complexe Maatschappijen: Een Kritiek op Jrgen Habermas' Faktizit„t und Geltung", Recht en Kritiek, 20(2), pp. 111-144.

BAL, Peter, 1994a, "Discourse Ethics and Human Rights in Criminal Procedure", Philosophy & Social Criticism, 20(4), pp. 71-99.

____, 1994b, "Wat Draagt Habermas bij tot de Ontwikkeling van een Discourstheorie van het Straf(proces)recht?", Recht en Kritiek, 20(2), pp. 152-169.

BARATTA, Alessandro, 1993, "Die Menschenrechte zwischen struktureller Gewalt und Strafgewalt", Kriminologisches Journal, 25(4), pp. 243-2559.

BAYNES, Kenneth, 1991, The Normative Grounds of Social Criticism: Kant, Rawls and Habermas, Albany, NY, State University of New York Press.

BERTILSSON, Margareta, 1994, "J. Habermas, Faktizit„t und Geltung" (boekbespreking), Contemporary Sociology, 23(1), pp. 156-159.

BLANKENBURG, Erhard, 1994, "De Legitimiteit van het Recht Ligt in Wat het Doet: Een Klein Commentaar", Recht en Kritiek, 20(2), pp. 145-151.

BOHMAN, James, 1994, "Complexity, Pluralism, and the Constitutional State: On Habermas's Faktizit„t und Geltung" (boekbespreking), Law & Society Review, 28(4), pp. 897-930.

BRINK, Bert van den, 1993, "Jrgen Habermas: Gemeenschapsdenken, maar dan anders", in B. van Klink, P. van Seters & W. Witteveen, (red.), Gedeelde Normen? Gemeenschapsdenken en het Recht, Zolle, Tjeenk Willink.

BRINK, Bert van den, et al., 1993, "Jrgen Habermas en de (Duitse) Rechtsstaat" (themanummer n.a.v. J. Habermas, Faktizit„t und Geltung), Filosofie Magazine, 2, pp. 15-24.

CALHOUN, Craig, (red.) 1992, Habermas and the Public Sphere, Cambridge, MA, The MIT Press.

CASEBEER, Kenneth, 1994, "Paris Is Closer than Frankfurt: The nth American Exceptionalism", Law & Society Review, 28(4), pp. 931-937.

DEFLEM, Mathieu, 1991, "Kritische Theorie, Misdaad en (De)Criminalisering: Jrgen Habermas als Criminoloog?", Panopticon, 12(4), pp. 330-351.

____, 1992a, "Jrgen Habermas - Pflegevater oder Sorgenkind der abolitionistischen Perspektive", Kriminologisches Journal, 24(2), pp. 82-97.

____, 1992b, "De Communicatie-Theoretische Benadering van het Recht: Fundamenten en Kritieken van de Rechtssociologie van Jrgen Habermas", Recht en Kritiek, 18(3), pp. 235-258.

____, 1993, "Strukturen der abolitionistischen Verwandtschaft: Eine Antwort an Jahn", Kriminologisches Journal, 25(3), pp. 202-204.

____, (red.) 1994a, "Habermas, Modernity and Law" (themanummer), Philosophy & Social Criticism, 20(4), pp. 1-166.

____, 1994b, "Habermas, Modernity and Law: A Bibliography", Philosophy & Social Criticism, 20(4), pp. 151-166.

____, 1994c, "La Notion de Droit dans la Th‚orie de l'Agir Communicationel de Jrgen Habermas", D‚viance et Soci‚t‚, 18(1), pp. 95-120.

____, 1994d, "The Boundaries of Abortion Law: A Sociological Examination of Legal Change", Paper gebracht voor het jaarlijks congres van de American Sociological Association, Los Angeles, augustus.

____, 1995a, "Social Control and the Theory of Communicative Action", International Journal of the Sociology of Law (ter perse).

____, 1995b, "Corruption, Law and Justice: A Conceptual Clarification", Journal of Criminal Justice (ter perse).

DEWS, Peter, 1993a, "Agreeing What's Right" (bespreking van J. Habermas, Faktizit„t und Geltung), London Review of Books, 15(9), pp. 26-27.

____, 1993b, "Faktizit„t, Geltung und ™ffentlichkeit", Deutsche Zeitschrift fr Philosophie, 41(2), pp. 359-364.

DONAHUE, Michael E. & Arthur A. FELTS, 1993, "Police Ethics: A Critical Perspective", Journal of Criminal Justice, 21(4), pp. 339-352.

FELDMAN, Stephen M., 1993, "The Persistence of Power and the Struggle for Dialogic Standards in Postmodern Constitutional Jurisprudence: Michelman, Habermas, and Civic Republicanism", Georgetown Law Journal, 81, pp. 2243-2290.

FELTS, Arthur A. & Charles B. FIELDS, 1988, "Technical and Symbolic Reasoning: An Application of Habermas' Ideological Analysis to the Legal Arena", Quarterly Journal of Ideology, 12(1), pp. 1-15.

GUIBENTIF, Pierre, 1994, "Approaching the Production of Law through Habermas's Concept of Commmunicative Action", Philosophy & Social Criticism, 20(4), pp. 45-70.

GUNNING, M.J., 1993, "Communitarisme en Onrechtvaardigheid in het Gezin: Een Pleidooi voor het Primaat van een Hartstochtelijk Recht (Preadvies)", Rechtsfilosofie & Rechtstheorie, 22(1), pp. 7-35.

GšNTHER, Klaus, 1988, Der Sinn fr Angemessenheit: Anwendungsdiskurse in Moral und Recht, Frankfurt, Suhrkamp.

____, 1993, "Critical Remarks on Robert Alexy's Special-Case Thesis", Ratio Juris, 6, pp. 143-156.

HABERMAS, Jrgen, 1971, "Theorie der Gesellschaft oder Sozialtechnologie?", in J. Habermas & N. Luhmann, Theorie der Gesellschaft oder Sozialtechnologie, Frankfurt, Suhrkamp.

____, 1981, Theorie des Kommunikativen Handelns, 2 volumes, Frankfurt, Suhrkamp.

____, 1988a, "Law and Morality", in S.M. McMurrin (red.), The Tanner Letures on Human Values, Volume 8, Salt Lake City, University of Utah Press.

____, 1988b, Recht en Moraal: Twee Voordrachten. Kampen, Kok Agora.

____, 1991, Erl„uterungen zur Diskursethik, Frankfurt, Suhrkamp.

____, 1992, Faktizit„t und Geltung: Beitr„ge zur Diskurstheorie des Rechts und des demokratischen Rechtsstaats, Frankfurt, Suhrkamp.

____, 1993a, Vergangenheit als Zukunft: Das alte Deutschland im neuen Europa?, 2de editie, Mnchen, Piper.

____, 1993b, "Mehr Demut, weniger Illusionen" (interview met Adam Michnik en Adam Krzeminski), Die Zeit, 24 december, pp. 6-8.

____, 1993c, "Nachwort", in C. Taylor, Multikulturalismus und die Politik der Anerkennung, Frankfurt, Suhrkamp.

____, 1993d, "Struggles for Recognition in Constitutional States", European Journal of Philosophy, 1(2), pp. 128-155.

____, 1994a, "Nachwort (zur vierten, durchgesehenen und um ein Literaturverzeichnis erg„nzten Auflage)", in Faktizit„t und Geltung, 4de editie, Frankfurt, Suhrkamp.

____, 1994b, "Postscript to Faktizit„t und Geltung", Philosophy & Social Criticism, 20(4), pp. 135-150.

____, 1994c, "Human Rights and Popular Sovereignty: The Liberal and Republican Versions", Ratio Juris, 7(1), pp. 1-13.

HILGENDORF, Eric, 1994, "Rechtsphilosophie im vereinigten Deutschland" (bespreking van J. Habermas, Faktizit„t und Geltung), Philosophische Revue, 40, pp. 1ff.

H™FFE, Otfried, 1993, "Eine Konversion der kritischen Theorie? Zu Habermas' Rechts- und Staatstheorie" (bespreking van J. Habermas, Faktizit„t und Geltung), Rechtshistorisches Journal, 12, pp. 70-88.

HORSTER, Detlef, 1992, "Jrgen Habermas' Rechtsphilosophie" (bespreking van J. Habermas, Faktizit„t und Geltung), Die neue Gesellschaft: Frankfurter Hefte, 39, pp. 1138-1141.

____, 1993, "J. Habermas, Faktizit„t und Geltung" (boekbespreking), Archiv fr Rechts- und Sozialphilosophie, 79(4), pp. 588-591.

____, 1994, "Das Recht in modernen Gesellschaften" (bespreking van N. Luhmann, Das Recht der Gesellschaft), Archiv fr Rechts- und Sozialphilosophie, 80(1), pp. 117-123.

Information Philosophie, 1993, "Das diskurstheoretische Rechts- und Demokratiekonzept von Jrgen Habermas", Information Philosophie, 21(2), pp. 68-80.

INGRAM, David, 1990, "Dworkin, Habermas, and the CLS Movement on Moral Criticism in Law", Philosophy & Social Criticism, 16, pp. 237-268.

JAHN, Matthias, 1993, "Pflegevater? Sorgenkind? Halbbruder? Kritische Anregungen zu Mathieu Deflem", Kriminologisches Journal, 25(2), pp. 145-148.

LARMORE, Charles, 1993, "Die Wurzeln radikaler Demokratie", Deutsche Zeitschrift fr Philosophie, 41(2), pp. 321-327.

LEEDS, Gary C., 1991, "The Discourse Ethics Alternative to Rust v. Sullivan", University of Richmond Law Review, 26, pp. 87-143.

LILLY, J. Robert & Mathieu DEFLEM, 1993, "Penologie en Profijt: Een Exploratief Onderzoek naar de Bestraffingsindustrie", Delikt & Delinkwent, 23(6), pp. 511-527.

LUHMANN, Niklas, 1993a, Das Recht der Gesellschaft, Frankfurt, Suhrkamp.

____, 1993b, "Quod Omnes Tangit...: Anmerkungen zur Rechtstheorie von Jrgen Habermas" (bespreking van J. Habermas, Faktizit„t und Geltung), Rechtshistorisches Journal, 12, pp. 36-56.

MEHRING, Reinhard, 1993, "Legitimit„t durch kommunikative Verfahren?" (bespreking van J. Habermas, Faktizit„t und Geltung), Philosophischer Literaturanzeige, 46(2), pp. 172-188.

MELKEVIK, Bjarne, 1990, "Le ModŠle Communicationnel en Science Juridique: Habermas et le Droit", Cahiers de Droit, 31, pp. 901-915.

____, 1992, "Transformation du Droit: Le Point de Vue du ModŠle Communicationnel", Cahiers de Droit, 33, p. 115-139.

MERKEL, Reinhard, 1993, "Was Ist das Recht" (bespreking van J. Habermas, Faktizit„t und Geltung), Die Zeit, 12 februari, p. 57.

MINOGUE, Kenneth, 1994, "M. Deflem (red.), Habermas, Modernity and Law" (bespreking), The Times Literary Supplement, 25 november, pp. 27-28.

O'NEILL, Onora, 1993, "Kommunikative Rationalit„t und praktische Vernunft", Deutsche Zeitschrift fr Philosophie, 41(2), pp. 329-332.

ORTS, Eric W., 1993, "Positive Law and Systemic Legitimacy: A Comment on Hart and Habermas", Ratio Juris, 6(3), pp. 245-278.

PETERS, Bernhard, 1993, Die Integration moderner Gesellschaften, Frankfurt, Suhrkamp.

____, 1994, "On Reconstructive Legal and Political Theory", Philosophy & Social Criticism, 20(4), pp. 101-134.

POURTOIS, Herv‚, 1991, "Rationalisation Sociale et Rationalit‚ Juridique", Revue Philosophique de Louvain, 89, pp. 469-498.

____, 1992, "Th‚orie Sociale et Jugement Juridique: A Propos de J. Habermas et de Kl. Gnther", Archives de Philosophie du Droit, 37, pp. 303-312.

____, 1993, "Le SystŠme Juridique comme SystŠme Social: Le Debat Habermas-Luhmann", Recherches Sociologiques, 24(1-2), pp. 5-24.

PREYER, Gerhard, 1993, "J. Habermas, Faktizit„t und Geltung" (boekbespreking), K"lner Zeitschrift fr Soziologie und Sozialpsychologie, 45(2), pp. 373-376.

PRINS, Baukje, 1994, "Is Alles Bespreekbaar? Jrgen Habermas en de Feministische Rechtskritiek", Rechtsfilosofie & Rechtstheorie, 23(1), pp. 48-6.

RAES, Koen, 1994, "Contrafacticiteit en Geldigheid: Habermas' Discursieve Rechtstheorie", Recht en Kritiek, 20(2), pp. 93-110.

RASMUSSEN, David M., "How Is Valid Law Possible? A Review of Faktizit„t und Geltung by Jrgen Habermas" (boekbespreking), Philosophy & Social Criticism, 20(4), pp. 21-44.

ROERMUND, B. van, 1994, "Solidariteit onder Vreemden: De Rechtstheorie van Jrgen Habermas"(bespreking van J. Habermas, Faktizit„t und Geltung), Rechtsfilosofie en Rechtstheorie, 23(2), pp. 120-156.

SCHEUERMAN, Bill, 1993, "Neumann v. Habermas: The Frankfurt School and the Case of the Rule of Law", Praxis International, 13, pp. 50-67.

SCHLINK, Bernhard, 1993, "Abendd„merung oder Morgend„mmerung? Zu Jrgen Habermas' Diskurstheorie des demokratischen Rechtsstaats" (bespreking van J. Habermas, Faktizit„t und Geltung), Rechtshistorisches Journal 12, pp. 57-69.

SCH™NBERGER, Christoph, 1994, "J. Habermas, Faktizit„t und Geltung" (boekbespreking), Der Staat, (1994), pp. 124-128.

SIEP, Ludwig, 1992, "Mit Radikalen vernnftig Reden?" (bespreking van J. Habermas, Faktizit„t und Geltung), Der Spiegel, 43, pp. 292-298

SIMON, Jonathan, 1994, "Between Power and Knowledge: Habermas, Foucault, and the Future of Legal Studies", Law & Society Review, 28(4), pp. 947-961.

SOMEK, Alexander, 1993, "Unbestimmtheit: Habermas und die Critical Legal Studies. Einige Bemerkungen ber die Funktion von Rechtsparadigmen fr die Rechtsanwendung im demokratischen Rechtsstaat", Deutsche Zeitschrift fr Philosophie, 41(2), pp. 343-357.

TIETS, Udo, 1993, "Faktizit„t, Geltung und Demokratie: Bemerkungen zu Habermas' Diskustheorie der Wahrheit und der Normenbegrndung", Deutsche Zeitschrift fr Philosophie, 41(2), pp. 333-342.

TOENNIES, Sybille, 1993, "J. Habermas, Faktizitaet und Geltung" (boekbespreking), Rechtstheorie, 24(3), pp.387-392.

TWEEDY, John & Alan HUNT, 1994, "The Future of the Welfare State and Social Rights: Reflections on Habermas", Journal of Law and Society, 21(3), pp. 288-316.

VANDENBERGHE, Fr‚d‚ric, 1993, "Contra-facticiteit en Geldigheid: De Staat van de Discussie" (bespreking van J. Habermas, Faktizit„t und Geltung), Krisis, 51, pp. 76-79.

WEINBERGER, Ota, 1994, "Habermas on Democracy and Justice: Limits of a Sound Conception", Ratio Juris, 7(2), pp. 239-253.

WENZEL, Uwe J., 1994, "Dworkin Meets Habermas: Ein Kolloquium in Bielefeld", Neue Zuericher Zeitung, 18 mei.

Voetnoten

1. Met name in Erlauterungen zur Diskursethik shreef Habermas (1991, pp. 200-201) dat hij de idee dat de legitimiteit van het recht en het democratische gehalte van de rechtsstaat onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, in een toen nog te verschijnen boek verder zou uitwerken.
2. Zie Andersen (1994); Angern (1993); Bertilsson (1994); Bohman (1994); Dews (1993a); Hilgendorf (1994); Horster (1992, 1993); Information Philosophie (1993); Mehring (1993); Merkel (1993); Preyer (1993); Rasmussen (1994); van Roermund (1994); Sh"nberger (1994); Sipe (1992); T"nnies (1993); Vandenberghe (1993). Deze besprekingen vinden aansluiting bij mijn vroegere overzicht van Habermas' rechtstheorie (Deflem 1994c); zie ook mijn bibliografie over Habermas' rechtstheorie (Deflem 1994b), evenals de besprekingen door Feldman (1993); Felts & Fields (1988); Melkevik (1990, 1992); Leeds (1991); Lenoble (1992); Pourtois (1991); en Habermas' "Nawoord" bij de vierde uitgave van F&G (Habermas 1994a,b).

3. Zie Abraham (1994); Bader (1994); Bal (1994a,b); Blankenburg (1994); van den Brink et al. (1993); Casebeer (1994); Deflem (1994a); Dews (1993b); H"ffe (1993); Larmore (1993); Luhmann (1993b); Minogue (1994); O'Neill (1993); Raes (1994); Shlink (1993); Simon (1994); Somek (1993); Tiets (1993); Tweedy & Hunt (1994).

4. Habermas' relatie tot het Marxisme heeft reeds sinds lange tijd ter discussie gestaan, vooral omwille van zijn kritische houding t.a.v. de meer orthodoxe vertegenwoordigers van de Frankfurter Schule (Adorno, Horkheimer, Marcuse) en de gunstige plaats die hij inruimt voor meer "mainstream" gerichte auteurs (Durkheim, Mead, Parsons). In een recente discussie geeft Habermas zijn reformistische houding toe, maar houdt er toch aan zich "de laatste Marxist" te noemen (in Calhoun 1992; zie Scheuerman 1993).

5. Voor een uiteenzetting van Habermas' pogingen tot een rechtssociologie voor 1981, zie Guibentif (1994).

6. De "Tanner Lectures" zijn in F&G in bijlage opgenomen (F&G, pp. 541-599) evenals twee politieke teksten omtrent staatsburgerschap en de Duitse en Europese eenmaking (F&G, pp. 600-660).

7. Over de relatie tussen de theori‰n van Habermas en Dworkin, zie Ingram (1990); Raes (1994, pp. 103-04); van Roermund (1994, pp. 136-37); Wenzel (1994). De verhouding tussen de opvattingen van Habermas en Hart wordt besproken door Orts (1993), en de discussie tussen Habermas en Rawls door Baynes (1991). Omtrent de discussie tussen Habermas en Luhmann, die ik voorheen behandelde (Deflem 1994c, pp. 101-104), kan ik in dit bestek kort zijn: de kloof tussen beide denkers is er in de jongste jaren enkel nog maar groter op geworden. In feite, alhoewel Habermas nog steeds Luhmann bespreekt (e.g. F&G, pp. 66ff) en Luhmann weer Habermas behandeldt (Luhmann 1993b), is er van een Habermas-Luhmann debat eenvoudig weg geen sprake meer. De onderscheiden posities hebben zich immers zo fel gepolariseerd dat er van enige (Habermasiaanse?) polemiek geen rede meer kan zijn (zie verder Luhmann 1993a; Horster 1994; Pourtois 1993).

8. Bemerk dat Habermas steeds over recht spreekt als positief gezet, d.w.z. van staatswege gesanctioneerd, recht. Zodoende ondersheidt het recht zich van de post-conventionele moraal als een symbolish en handelingssysteem tegelijk (F&G, pp. 137, 146). Met deze fomulering blijft Habermas vasthouden aan een conceptie van het recht als een verwachtingsstabiliserende aanvulling op de moraal (zie daaromtrent Habermas 1991). Het verklaart ook de centraliteit van het stelsel der rechten en de rechtsstaatsidee in zijn rechtstheorie (cf. infra).

9. Habermas speekt over het 'System' der rechten, maar om conceptuele verwarring te vermijden met Habermas' specifieke termen van leefwereld en systeem, vertaal ik het als 'stelsel'.

10. Deze stelling betekent natuurlijk niet dat Habermas het juristisch discours als een strategisch machtsspel beshouwd (zoals hij voorheen beweerde, in Habermas 1971, pp. 200-201). De stelling omtrent het toepassingsdiscours in de rechtsspraak bevestigt Habermas' kritiek op de benadering van de Critical Legal Studies die de rechtsspraak in strategisch-politieke termen behandelt (F&G, pp. 265ff; zie Deflem 1994c, pp. 108-109; Casebeer 1994; Somek 1993).

11. Het proceduralistische karakter van Habermas' moraal- en rechtstheorie blijft een veel besproken knelpunt. De kritiek (besproken in Deflem 1994c, pp. 105-108) blijft daabij dat Habermas ofwel bepaalde waarden in zijn theorie laat insluipen (van den Brink 1993), of dat zijn legitimiteit-door-procedure thesis niet haalbaar of niet realistisch is (Alexy 1994; Blankenburg 1994; Raes 1994; Weinberger 1994; zie ook de discussies in Apel & Kettner 1992).

12. Deze stelling verraadt meteen dat Habermas meent dat socialisme, een voor hem nog steeds niet irrelevante categorie, enkel nog als "radicale democratie" kan begrepen worden (Habermas 1993b; zie ook de boeiende opstellen omtrent de Duitse en Europese eenmaking in Habermas 1993a).

13. Van Roermund (1994) vat deze stelling mooi samen door erop te wijzen dat 'und' het belangijkste woord in de titel Faktizitaet und Geltung is.

14. De meeste commentatoren (vermeld in voetnoten 2 en 3) hebben zich inderdaad merendeels beperkt tot meta-theoretische reflecties.

15. Mijn commentaren in de rest van deze bijdrage sluiten aan bij mijn besprekingen over de relevantie van Habermas' theorie voor de kritische criminologie (Deflem 1991, 1992a) en de studie van recht en strafrecht (Deflem 1992b, 1994c).

16. Habermas' stelling van de instrumentalisering van het recht kan ook toegepast worden op een studie van de monetarisering van het gevangeniswezen (zie Lilly & Deflem 1993).

17. Voor discussies omtrent Habermas' bespreking van de mensenrechtenproblematiek (in F&G, pp. 124-135), zie H"ffe (1993, pp. 83-88). Gerelateerd aan een feminisme-optiek, vindt men besprekingen van Habermas bij Prins (1994) en Gunning (1993).

18. Vanuit een gelijkaardige optiek als Bal's wordt Habermas ook rechtsfilosofisch uitgebreid, gecorrigeerd, en bekritiseerd in vele van de besprekingen vermeld in voetnoten 2 en 3. Daarbij valt op dat Habermas' werk geregeld wordt aangevallen o.w.v. haar normativistisch gehalte - een kritiek die zich natuurlijk enkel op normatieve gronden laat verantwoorden.

19. Habermas' F&G laat m.i. geen twijfel meer bestaan dat een radicaal abolitionisme niet op zijn werk gestoeld kan worden. Zie hieromtrent mijn antwoord (Deflem 1993) op de kritiek van Jahn (1993). Zie ook de opmerkelijke afwezigheid van Habermas in Baratta's (1993) recente analyse van geweld, strafrecht en mensenrechten.

20. Elders heb ik dit inzicht vanuit Habermas' perspectief toegepast op een analyse van corruptie (Deflem 1995b).

21. Zie Peters (1993, 1994) die dit krachtig bepleit, en Prins (1994) voor een toepassing hiervan vanuit feministisch standpunt.