Het Criminele Denken

Mathieu Deflem
www.mathieudeflem.net

Gepubliceerd in Karakter: Tijdschrift van Wetenschap 18:22-34, 2007.
Ook beschikbaar online via de uitgever.

Gelieve te citeren als: Deflem, Mathieu. 2007. "Het Criminele Denken." Karakter: Tijdschrift van Wetenschap 18:22-34.



De moderne criminologie, zoals we die tegenwoordig kennen in de academische wereld, kan opgevat worden als een interdisciplinair onderzoeksdomein of als een aparte discipline. Als een interdisciplinair domein is de criminologie opgebouwd op basis van een breed aanbod van wetenschappen zoals sociologie, psychologie, en de rechtsleer. Aldus zijn de verscheidene deeldomeinen van de criminologie gedefiniëerd in termen van hun respectievelijk formeel object of benaderingzwijze. De criminologie als aparte discipline daarentegen definiëert zichzelf in termen van haar materieel object. Criminologen zijn bezig met de studie van misdaad en al wat daarmee samenhangt, niet enkel de beschrijving en verklaring van de misdaad als gedrag of de misdadigheid als fenomeen op sociaal en/of individueel vlak, maar ook de maatschappelijke, incluis strafrechtelijke, en inter-persoonlijke duiding en behandeling van de misdaad in de vorm van meer en minder formele social controle mechanismen, instituties, en instrumenten. Zodoende bestuderen criminologen niet enkel criminaliteit en/of criminelen maar ook de politie, het gevangeniswezen, het strafrecht, victimologie, private bewaking, enzovoorts.

Onder criminologen is er niet alleen discussie over de relatieve waarde van de gespecializeerde deeldomeinen, maar ook, en meer fundamenteel, over de opvatting van de criminologie als onderzoeksdomein of als zelfstandige discipline. Waarom? Waarom bestuderen criminologen wat ze bestuderen en waarom is de criminologie niet eenduidig wat betreft haar eigen bestaan? Misschien kan een blik op de opstaansgeschiedenis van de criminologie van nut zijn om deze vragen te beantwoorden. In het door Peter Becker and Richard Wetzell geredigeerde Criminals and Their Scientists (2006) worden 21 hoofdstukken aangeboden die de geschiedenis van het denken over criminelen, vooral tijdens de negentiende eeuw, nader belichten. De meeste auteurs in het boek zijn academisch thuis in de geschiedschrijving. Mijn eigen bemerkingen zijn hoofdzakelijk sociologisch van inslag.

Als gedachtengoed vond de criminologie haar oorsprong in pre-wetenschappelijke kennisvormen die voornamelijk aandacht besteedden aan de juridische aspecten van de misdaad en de misdaadbestrijding. Meer bepaald waren het de vertegenwoordigers van de zogenaamd Klassieke School, zoals de Italiaan Cesare Beccaria en de Engelsman Jeremy Bentham, die in de 18de eeuw een criminologisch perspectief ontwikkelden dat misdadig gedrag opvatte in termen van een economisch rationaliteitsprinciepe dat stelde dat het menselijk handelen gestoeld is op een weging van geanticipeeerde kosten (pijn) en voordelen (plezier). In termen van dit utilitair beginsel wordt het misdadig gedrag opgevat als het gevolg van een beslissing om de wet te overtreden omdat de misdadiger verwacht dat de wetsovertreding meer voor- dan nadelen zal hebben.

Een ommekeer in de criminologie kwam er met de opkomst van de zogenaamde Positivistische School tijdens de 19de eeuw. Met de Italiaan Cesare Lombroso als leidinggevende figuur, beschouwde deze School de misdadigheid als gedrag dat oorzakelijk verklaard moest worden. Op zoek naar een gepast antwoord op de causaliteitsvraag kwam Lombroso niet verder dan een vulgair biologische theorie die de misdaad betrachtte als het gevolg van evolutiestoornissen in de lichamelijke ontwikkeling van de misdadiger. Van meer belang evenwel was de kernidee in Lombroso’s benadering dat de misdaad oorzaken heeft en dat deze op systematische wijze onderzocht kunnen worden. In deze zin is Lombroso de vader van de moderne criminologie.

De tot hier geschetste geschiedenis van de criminologie is volledig ideëel en heeft de criminologische levensloop beschouwd in een wijze die ontdaan is van de maatschappelijke bestaansgeschiedenis in de welke criminologische ideëen gevormd en gebruikt werden. Bekijken we de criminologie nu ook historisch-sociologisch dan is het meest frappante gegeven, niet een revolutie in ideëen, maar het konstante gegeven dat de criminologische kennis in essentie instrumenteel werd opgevat in termen van haar nut voor de instelling van het strafrechtssysteem. De Klassieke School bestond zodoende niet enkel uit een geheel van utilitaire ideëen, deze beginselen werden ook van bijzonder belang geacht omdat zij beleidsgevolgen hadden. Meer bepaald, op basis van de beschouwing van de misdaad als het gevolg van een rationele beslissing, diende de strafrechtsbedeling zo georganizeerd te worden dat de condities van de beslissing tot misdadig handelen beinvloed konden worden. Met een klemtoon op vrij-rationeel denken betekende dit voornamelijk een laissez faire beleid inzake rechtspleging, een klemtoon op afschrikking door de invoering van een systeem van straffen dat met grote zekerheid zou toegepast kunnen worden, bescherming van de rechten van de aangeklaagde in een open en fair gerechtsproces, en proportionaliteit in de toemeting van de straffen naargelang de zwaarte van de misdaad. De Klassieke School was zodoende van grote invloed in verscheidene elementen van de strafrechtsbedeling zoals we die in (vooral de liberale landen van) het Westen tegenwoordig kennen.

De Positivistische School was eveneens een instrumenteel-gericht gedachtengoed. Zich steunend op een wetenschappelijke methodiek, waren de Postivisten erop uit om het misdaadbeleid op zulke wijze te hervormen dat de grondoorzaken van de misdaad aangepakt konnen worden. Afhankelijk van de preciese theorie omtrent de oorzaken van de misdadigheid, werd de focus gericht op de biologische, mentale, of sociale oorzaken van de misdaad. In scherpe tegenstelling tot de Klassieke School was de Positische School dus gericht op maximale maar gerichte interventie in de oorzaken van de misdaad die in deterministische termen werd opgevat. Bekijken we de huidige strafrechtsbedeling, dan vinden we duidelijk Positivische invloeden op het vlak van praktijken die gericht zijn op de behandeling van misdaad in haar onderscheiden oorzaken. Vooral in collectitivisch georganizeerde Westerse landen, maar elders ook, vinden we bijvoorbeeld rehabilitieprogramma’s in het gevangeniswezen en andere interventie mechanismen die een oorzakelijkheidsdenken belichamen. Inachtgenomen de eerder vermelde invloed van de Klassieke School is het kenmerk bij uitstek van de huidige Westerse strafrechtsbedeling een mengeling van princiepen die op minstens twee zeer onderscheiden theoretische en ideologische gedachtengoeden gestoeld zijn.

Zoals alle kennis, kan de criminologie niet direct tot interventies leiden tenzij ze gepaard gaat met een gepaste technologie. In die zin moet bijzondere aandacht uitgaan naar de criminalistiek, een tak van de statistiek waarin de 19de eeuwse Belgische astronoom Adolphe Quetelet een leidinggevende rol speelde. De statistiek was van oorsprong geen methodiek maar een apart kennisdomein. Meer bepaald verwees de statistiek —de term werd door Gottfried Achenwall in 1749 in het Duits geintroduceerd als Statistik— naar de beschrijvende wetenschap van alles wat belang had met de staat, alle staatsmerkwaardigheden (Staatsmerckwürdigkeiten). Oorspronkelijk werden de beschrijvingen in de statistiek verbaal uitgedrukt, maar geleidelijk aan, onder invloed van de vooruitgang van de moderne wiskunde, werden statistische gegevens meer en meer numeriek beschreven.

De statistiek als staatswetenschap werd ook opgevat als een instrumentele vorm van kennis, niet een wetenschap die haar eigen doeleinden vrij kon stellen, maar een kennis die nuttig kon en moest zijn om de staat beter te kunnen organizeren. De statistiek ontwikkelde zich zodoende als een staatswetenschap ten voordele van de staat. In dezelfde zin was de criminalistiek een vorm van kennis die niet enkel de misdaad beschreef op numerieke wijze, maar ook ten voordele moest zijn van de bestrijding van de misdaad en de bestraffing van de misdadiger.

Theoretisch had de vroege criminalistiek niet veel om het lijf. In zijn boek Sur l'homme et le développement de ses facultés, ou Essai de physique sociale(1835) verdedigde Quetelet een pseudo-theorie over de gemiddelde mens (l'homme moyen). De theorie stelde dat mensen in hun doen en laten een tendens vertonen om extremen te vermijden en te graviteren naar de middenmoot. Het menselijke handelen zou zich volgens Quetelet dus voordoen in de vorm van een normale curve zoals mathematici die theoretisch beschreven hadden op basis van probabiliteitsbeginselen. De transpositie van het theoretisch-deductieve naar het praktisch-induktieve niveau was Quetelets enige poging tot theoretische reflectie over het maatschappelijk leven. Geheel buiten de bedoelingen om was Quetelet’s theorie toch ook medeverantwoordelijk voor de ontwikkeling van de sociologie, niet zozeer omwille van het sociologische belang van zijn theorie zelf, die al met al geen bijval kende, maar omdat hij in de titel van zijn werk de term physique sociale gebruikte. Deze term was oorspronkelijk door Auguste Comte ontwikkeld om de nieuwe wetenschap van de samenleving aan te geven. Maar omdat Comte fel gekant was tegen een inductief opgevatte sociale wetenschap en hij Quetelet’s perversie van de term daarom betreurde, voelde hij zich gedwongen om de wetenschap van de samenleving van danaan aan te duiden met het Latijn-Grieks gebaseerde neologisme socio-logie.

Praktisch gezien was de criminalistiek van zeer grote waarde, want met de enorme veelheid aan getallen die verzameld werden, kon de misdaad ontleed worden in een brede waaier van relevant geachte elementen. Op basis van statistische informatie kon de criminologie zich niet alleen verder ontwikkelen, voornamelijk door zichzelf te presenteren als een ernstige wetenschap met exacte en gedetaileerde kennis van haar onderzoeksobject, de gehele apparatuur van de strafrechtsbedeling kon ook met meer efficiëntie georganizeerd worden. Men denke vooral een de impact van de regelmatigheden die de criminalistiek ontdekte. Meer misdaad ’s nachts dan overdag betekent meer inspanningen tot beveiliging (en hogere straffen voor misdaden gepleegd) na zonsondergang. Meer geweldpleging op zaterdag en zondag betekent meer misdaadsbestrijding op die dagen dan tijdens de werkweek. Een stabiele correlatie tussen misdadigheid en economische positie betekent meer politie gericht op de armere segmenten van de samenleving. Beschouwen we dus de utilitaire doelstellingen van de criminalistiek in samenhang met de criminologie, dan krijgen we een drieledige verhouding tussen criminologie, criminalistiek, en strafrechtssysteem. De criminalistiek verschaft de harde gegevens waaraan de criminologie betekenis geeft ten voordele van de functionering van het strafrechtssysteem.

Historisch gezien was de criminologie dus geen academische wetenschap, maar een kennisdomein met inherent praktische doelstellingen. Criminologie was die tak van de strafrechtsbedeling die zich professioneel bezig hield met het denken over misdaad. In de zin dat de criminologie een geschiedenis heeft die vorm heeft gegeven aan haar gestalte is ze natuurlijk verre van uniek. Maar wat zeker een bijzondere rol speelt, niet alleen historisch maar ook voor de academicus die vandaag met criminologische vraagstukken bezig is, is het feit dat de criminologie in oorsprong deel uitmaakte van wat uiteindelijk een onderdeel werd van haar eigen onderzoeksdomein, namelijk de strafrechtsbedeling. Oorspronkelijk was de criminologische focus exclusief gericht op de misdadigheid en/of de de misdadiger. De uitbreiding van het domein van de criminologische kennis (het materiele objectdomein) tot de misdaad en haar duiding en behandeling is het gevolg van een verandering van het criminologische gezichtspunt (de formele objectbenadering). En het is deze verandering in benadering die de moderne criminologie volledig te danken heeft, niet aan zichzelf, maar aan de criminologische aandacht die besteed werd en wordt in de verscheidene academische wetenschappen. Zodoende verschijnen deze wetenschappen dus niet primair als hulpwetenschappen van de criminologie maar als zelfstandige vormen van academische kennis die, in een veelheid aan specialisatiedomeinen, ook de studie van criminologische relevante thema’s omvatten.

Beperken we ons bij wijze van voorbeeld tot de studie van de misdaad als sociaal fenomeen, dan was het de sociologie die aan het criminologisch denken heeft bijgedragen op een wijze die niet allen meer invloedrijk was dan, maar ook onafhankelijk gebeurde van, de verwante takken in de Positivistische School. De criminologische sociologie werd niet ontwikkeld op basis van de Positivistische criminologen, maar gaat terug naar de klassieke werken van Emile Durkheim, Max Weber, en andere grondleggers van de sociologie. Het is vanuit de sociologie als academische wetenschap dat criminologische vraagstukken dan vooreerst behandeld werden in termen van de culturele en structurele oorzaken van de misdaad als sociaal fenomeen. Als kritiek op deze oorzakelijkheidsmodelen ontwikkelden zich vervolgens, in de tweede helft van de 20ste eeuw, sociologische benaderingen die de misdadigheid betrachtten in samenhang met de praktijken van de strafrechtsbedeling en de sociale kontrole om bepaalde handelingen als crimineel te duiden en te behandelen. Met deze nieuwe benadering wordt het strafrechtssysteem zelf dus ook een object van criminologische kennis.

Gelijkaardig aan de ontwikkeling van criminologische kennis in de sociologie hebben zich ontwikkelingen voorgedaan in andere wetenschappen, vooral in de gredrags- en sociale wetenschappen. En daarom was de criminologie, zoals die al bestond binnen de strafrechtsbedeling, in staat om de inzichten van deze disciplines in zich op te nemen. De verschillende formele benaderingswijzen in de moderne criminologie (als onderzoeksdomein) ontwikkelden zich dus niet van binnen de criminologie (als kennispraktijk), maar in de verschillende wetenschappen die de crimininologie als interdisciplinair domein mee gevormd hebben. In deze zin is Lombroso dus niet de vader van de moderne criminologie.

De Franse filosoof Michel Foucault bemerkte ooit dat het meer dan opmerkelijk was dat de criminologie zelfs geen poging maakt om zich theoretisch te verantwoorden. De criminologie zou in Foucault’s ogen volledig praktisch gericht zijn ten voordele van het functioneren van het strafrechtssysteem. Vanuit deze optiek is de criminologie dus überhaupt geen wetenschap, indien we eraan houden dat de wetenschap per definitie onafhankelijk is, maar een component van macht die zich voordoet in de vorm van een kennis. Foucault’s beschrijving is zonder twijfel van toepassing op een deel van de criminologie, maar niet op het werk van de academici die zich bezighouden met vragen omtrent misdaad van binnen de wetenschappelijke wereld. Dit bevestigt het bestaan van de criminologie als een academisch onderzoeksdomein dat interdisciplinair gevormd is.

Bekijken we nu sommige van de meest recente ontwikkelingen, dan heeft er zich een bijzonder fenomeen voorgedaan in de organizering van de criminologie, vooral aan de universiteiten. Kort gesteld, de universiteit is vandaag minder afhankelijk, vooral financiëel, en dat heeft gevolgen. Academische bedrijvigheden die gericht zijn op het vergaren en verspreiden van kennis, ongeacht het onmiddelijke nut hiervan in termen van de economische en politieke orde van de dag, worden op zijn best nog getoleerd, maar zeker niet meer aangemoedigd. Voor sommige wetenschappen heeft dit meer gevolgen dan voor andere. Voor de criminologie betekent het dat zij tegenwoordig opnieuw gedefiniëerd wordt in haar rol binnen het strafrechtssysteem. Veel criminologen lijken van deze situatie ook gretig gebruik te maken. Terwijl de criminologisch geïnteresseerde academici in de verscheiden wetenschappen zich verder gemarginaliseerd zien, heeft een nieuwe horde van criminologen zich opgeworpen om de criminologie weerom in haar unieke gestalte te bevestigen en publieke relevantie te geven.

Maar indien de nieuwe criminologie van vandaag zich onafhankelijk wil opstellen dient zij niet enkel haar hulpwetenschappen af te schudden om zichzelf te bevestigen, zij dient zich dan ook te definiëren in termen van een unieke formele benaderingswijze. De nieuwe criminologie kan niet enkel iets zijn wat criminologen bestuderen maar ook hoe ze dat doen. Tot nadere orde, evenwel, is hiervan voorlopig zeer weinig terecht gekomen. We beleven momenteel vooral een terugkeer van een criminologie die zich warmpjes in de strafrechtsbedeling situeert. In dit proces spelen veel factoren mee. Onderzoek dat nuttig wordt geacht voor de staat kan makkelijker op de nodige fondsen rekenen dan onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. Criminologen die zichzelf als partner van de politie, de justitie, en het gevangeniswezen beschouwen, kunnen zich makkelijker toegang verschaffen tot hun onderzoeksdomein, en ze zullen misschien ook meer respect afdwingen in de ogen van hun relevant publiek. En dan zijn er natuurlijk de gebruikelijke veranderingen en momenten over het verloop van het maatschappelijk bestaan van de criminologie. In België zal er van een criminologie zonder Dutroux voorlopig wel geen sprake kunnen zijn.

Peter Becker & Richard F. Wetzell, editors, Criminals and Their Scientists: The History of Criminology in International Perspective (Cambridge: Cambridge University Press 2006).