Kritische Theorie, Misdaad en (De)Criminalisering: Jürgen Habermas als Criminoloog

Mathieu Deflem
www.mathieudeflem.net

Gepubliceerd in Panopticon 12(4):330-351 (1991). Ook als pdf beschikbaar.

Citeer als: Deflem, Mathieu. 1992. “Kritische Theorie, Misdaad en (De)Criminalisering: Jürgen Habermas als Criminoloog?” Panopticon 12(4):330-351 (1991).


Dit document werd met een Engelstalig programma gescand. Zodoende zullen er enkele of meerdere foutjes binnengeslopen zijn, waarvoor bij deze mijn verontschuldigingen. Raadpleeg de pdf versie voor een exacte versie.

In deze bijdrage wil ik de invloed bespreken van de kritische theorie van Jürgen HABERMAS in de sociologische criminologie. Bedoeling is het om te onderzoeken in hoeverre en op welke wijze het werk van Habermas een licht kan werpen op enkele problemen en mogelijkheden in de criminologische theorievorming. Eerst wordt in het kort de plaats van HABERMAS gesitueerd binnen de kritische theorie van de Frankfurter Schule. Vervolgens zal ik stilstaan bij twee delen uit zijn oeuvre die over het algemeen als de hoofdmomenten in zijn werk worden beschouwd: zijn visie op filosofie en wetenschap als kritiek en de theorie van het communicatieve handelen. Van beide aspecten in HABERMAS’ denken zal het belang voor de criminologie worden aangegeven. Deze bespreking zal ten slolte toelaten om enkele kritische bedenkingen te formuleren ten aanzien van de waarde van de criminoIogische toepassingen van zijn werk.

Ter inleiding: Habermas en de kritische theorie van de Frankfurter Schule

De kritische theorie van de Frankfurter Schule vond haar oorsprong in het in 1923 te Frankfurt opgerichte ‘Institut für Sozialforschung’.1 Het instituut stelde zich tot doel om via een herinterpretatie van het marxisme een kritische analyse van het kapitalistische bestel door te voeren. In 1937 introduceerde Max HORKHEIMER, toenmalig directeur van het instituut, de term ‘kritische theorie’ en zorgde voor de systematisering van haar ideeën (Cf. HORKHEIMER 1937). De band tussen wetenschappelijk kennen en kritisch handelen, het verwerpen van de positivistische methode en de pretentie van waardevrijheid, en een streven naar democratie, vrijheid en emancipatie werden van dan af de hoofdingrediënten van de Frankfurter Schule.

Jürgen HABERMAS zou vanaf de jaren ‘60 uitgroeien tot een van de belangrijkste woordvoerders binnen de kritische theorie. Tegelijk verloor de Frankfurter Schule evenwel haar institutionele basis en leidinggevende rot in de sociale wetenschappen. Vraagstukken en debatten omtrent de kritische theorie werden vanaf dan in beperkte filosofische kringen gevoerd en de benadering bleef relatief marginaal aan de sociaal wetenschappelijke bedrijvigheid. Verandering zou hierin pas optreden na de intrede van HABERMAS’ werk in de Amerikaanse theoretische sociologie op het einde van de jaren ‘70. De receptie hiervan in de Verenigde Staten heeft de discussie omtrent de kritische theorie nieuw leven ingeblazen en teruggevoerd naar het Europees wetenschappelijk forum.

In onderstaande zal ik die aspecten van HABERMAS’ werk belichten die hebben aanleiding gegeven tot enkele criminologische transcripties. Vooreerst ga ik in op zijn wetenschapsfilosofisclie theorie van de kennisbelangen en haar invloed op een variant binnen de structuralistische criminologie. Vervolgens belicht ik de voornaamste stellingen van zijn theorie van het communicatieve handelen en haar plaats binnen het abolitionisme.

1. Habermas’ visie op filosofie en wetenschap als kritiek

Tijdens de jaren ‘60 behandelde HABERMAS in meerdere werken zijn epistemologische visie op filosofie en wetenschap. Hij maakt hierin een belangrijk onderscheid tussen drie kennisbelangen.2 Met de term kennisbelang duidt HABERMAS op het inherent verband tussen bepaalde wetenschappelijke kennisvormen en de menselijke norm die deze kennis stuurt. Het gaat m.a.w. om een explicitatie van de verhouding tussen theorie en praxis. HABERMAS onderscheidt meer bepaald drie kennisvormen, met ieder hun eigen onderliggend belang:

1. Het technische belang van de empirisch analytische wetenschappen dat gericht is op het technisch gebruik van de natuur en de controleerbaarheid van de kennis hieromtrent;
2 Het prak tische belang van de historisch hermeneutische wetenschappen dat de mens oriënteert in het sociale leven; het doel van de kennis is begrijpen als ‘verstehen’; en
3. Het emancipatorische belang van de kritisch theoretische wetenschap dat de bevrijding van de mens nastreeft; de kritische kennis beoogt hierbij zelf reflectief inzicht gericht op maatschappelijke verandering.

HABERMAS schetst hiermee vanuit epistemologisch perspectief een kritische filosofie waarin wetenschap niet verengd kan worden tot enkel technisch controleerbare kennis (zoals dat binnen het positivisMe wordt voorgesteld). Wetenschap is volgens hem net als iedere andere vorm van kennen hoe dan ook verankerd in normatieve menselijke belangen. Het is de belangrijkste taak van de filosofie dit aan te duiden: filosofie kan in zijn optiek enkel nog worden opgevat als kritiek ten aanzien van de maatschappij welke wordt geanalyseerd en ten aanzien van alle mogelijke kennisvormen bij die analyse (inclusief wereldbeelden, ideologie, filosofie en wetenschap). Meteen houdt dit een tweevoudige opdracht in voor de kritische theorie: het formuleren van een kritiek van samenleving en kennis, evenals het uittekenen van de weg naar een ideale maatschappij. Hoe deze kritiek, de ideale maatschappij en de ‘storingen’, die historisch deze ideale ontwikkeling hebben tegengegaan, kunnen worden opgevat, werkt HABERMAS later uit in zijn theorie van het communicatieve handelen. Alvorens hierop dieper in te gaan zal ik eerst een criminologische bijdrage bespreken die rechtstreeks beroep doet op HABERMAS’ wetenschapsfilosofische bevindingen.

2. Emancipatorisch kennisbelang en misdaad: Habermas als structuralistisch criminoloog?

W. BYRON GROVES en ROBERT J. SAMPSON doen ter ondersteuning van hun structuralistisch criminologisch perspectief (als een variant van de radicale criminologie) een rechtsreeks en expliciet beroep op HABERMAS’ visie van de drie kennisbelangen (cf. GROVES en SAMPSON 1986). Vooreert verbinden GROVES en SAMPSON het technische kennisbelang met de empirisch analytische benadering van misdaad en afivijkend gedrag in de traditionele criminologie (zie ook GROVES 1985; GROVES en SAMPSON 1987a). Binnen de kritische theorie is een louter technisch georiënteerd kennisbelang evenwel niet relevant. Vooreerst beperkt de kritische theorie zich niet tot een ‘Wetenschap van de misdadigheid’. Misdaad wordt enkel opgevat als een ‘uitvergroot’ voorbeeld van de structurele en culturele irrationaliteiten kenmerkend voor de sociale verhoudingen onder het kapitalisme. Bovendien wordt binnen een kritisch theoretisch perspectief empirisch onderzoek niet in isolement gezien van het streven naar de emancipatie van de mens. Concreet betekent dit volgens GROVES en SAMPSON dat binnen de kritische theorie misdaad beschouwd wordt als een sociaal (geen individueel) fenomeen veroorzaakt door structurele kenmerken van het kapitalisme. Aldus kunnen bepaalde vormen van misdaad verklaard worden tengevolge armoede, structurele ongelijkheid, heterogeniteit en andere structurele parameters bij die sociale categorieën die onder het kapitalisme de structureel benadeelde sociale posities innemen. Bovendien kan zo ook elite misdadigheid verklaard worden, nl. als een gevolg van de druk in het kapitalisme tot minimalisering van de kost en maximalisering van de winst (als elementen van de druk tot kapitaalsaccumulatie).

Het praktisch belang van de historisch hermeneutische wetenschappen verbinden GROVES en SAMPSON met de culturele benaderingen in de criminologie (zie ook GROVES en LYNCH 1990). Het praktische belang refereert aan de nood aan interactie die gebaseerd is op communicatie die idealiter berust op een consensus tussen de betrokken sociale actoren (sociaal communicatief handelen). Culturele storingen in het communicatieve handelen worden door GROVES en SAMPSON opgevat als de voor de betrokken actoren begrijpelijke gevolgen van structurele irrationele condities. Deze auteurs onderscheiden, op basis van MARX' aliënatietheorie, drie structurele criminogene condities met elk een cultureel correlaat:

1. storingen tussen personen: structureel verwijst dit naar ongelijkheid en segmenteringen, met als cultureel gevolg egdistische waarden;
2. storingen tussen personen en de samenleving: structureel verwijst dit naar de verzwakte band tussen individu en samenleving en de structurele beperking om bepaalde sociale waarden te realiseren, met fatalistische sub culturele waarden tot gevolg;
3. storingen in het individueel bewustzijn: structurele kenmerken dwingen bepaalde individuen tot het stellen van crimineel gedrag dat niet in overeenstemming is met de geinternaliseerde culturele waarden, leidend tot cognitieve dissonantie en neutraliseringstechnieken op het psychologische vlak.

Ten slotte stellen GROVES en SAMPSON een kritische theorie van misdadigheid voor waarbinnen volgens hen hei emancipatorische belang kan verwezenlijkt worden. De structurele oorzaken van sociale irrationaliteiten dienen niet enkel opgespoord te worden, maar deze oorzaken moeten tevens worden omgezet in redenen die van binnenuit kunnen begrepen en bediscussiëerd worden in communicatie, zodat op basis van een kritische rationaliteit wegen van sociale verandering kunnen worden voorgesteld die de emancipatie van de mens mogelijk maken. Volgens GROVES en SAMPSON kunnen socio culturele irrationaliteiten in HABERMAS’ perspectief worden opgeheven in de ideale spreeksituatie waar communicatie ongestoord en vrij is (cf. infta). In de ideale spreeksituatie geldt enkel de kracht van het betere argument waardoor zelf relfectie en emancipatie mogelijk worden. GROVES en SAMPSON vinden (hun voorstelling van) HABERMAS’ oplossing evenwel niet bevredigend. Volgens hen dienen eerst de structurele kenmerken van de samenleving zo gemanipuleerd te worden dat ongestoorde communicatie überhaupt mogelijk wordt. Zolang de samenleving niet ontdaan is van haar structurele irrationaliteiten kan volgens hen van ideaal spreken geen sprake zijn. Voor GROVES en SAMPSON geldt dat wat structureel bepaald is (b.v. misdadigheid) ook op het vlak van de sociale structuur moet verholpen worden. In onderstaande zal ik nagaan in hoeverre GROVES en SAMPSON hiermee recht hebben gedaan aan HABERMAS’ communicatie theorie.

3. Enkele basisbegrippen uit de theorie van het communicatieve handelen

Met zijn theorie van het communicatieve handelen tracht HABERMAS een standpunt te ontwikkelen dat, in lijn met het erfgoed van de kritische theorie, een analyse moet bieden van de problemen in de moderne samenleving. Reeds vanaf het begin van de jaren ‘70 bereidde HABERMAS deze maatschappijtheorie voor, hetgeen uiteindelijk resulteerde in de publikatie van zijn magnum opus Theorie des Kommunikativen Handelns (1981). In onderstaande zal ik de voornaamste stellingen van deze theorie bondig weergeven.3

A. COMMUNICATIE EN RATIONALISERING

De beste ingang tot een studie van de problemen van moderne samenlevingen en dus het vertrekpunt voor elke sociologie of maatschappijtheorie is volgens HABERMAS de rationaliseringsproblematiek. Hij onderscheidt twee soorten rationaliteit:

1. cognitief instrumentele rationaliteit, verwijzend naar het handelen dat gericht is op het succesvol realiseren van bepaalde doeleinden (‘Erfolg’), en
2. de communicatieve rationaliteit die betrekking heeft op het handelen van sociale actoren dat gericht is op wederzijds of gedeeld begrip (‘Verständigung’).

In beide gevallen refereert rationaliteit aan de kritiseerbaarheid van de betrokken handelingen, d.w.z. aan het verschaffen van goede redenen ter rechtvaardiging van dat handelen. Het cognitief instrumentele handelen verwijst hierbij enkel naar de kritiseerbare kennis over een objectieve stand van zaken. HABERMAS bekijkt rationaliteit evenwel ruimer. De werkelijkheid wordt immers pas objectief omdat ze als zodanig geldt op basis van een consensus of wederzijds begrip in een gemeenschap van communicatieve actoren. Het sociale handelen wordt dus mogelijk gemaakt door sociale communicatie.
De voorwaarden voor wederzijds begrip door communicatief handelen leidt HABERMAS af uit een studie van de structuur van de communicatieve act, de taalhandeling. Iedere taalhandeling doet volgens HABERMAS beroep op een aantal geldigheidselaims (‘Geltungsansprüche’) waardoor die taalhandeling als redelijk wordt aanvaard:

1. waarheid (‘Wahrheit’): een objectieve uitspraak is waar wanneer ze geldt als verwijzend naar een bepaalde stand van zaken;
2. juistheid (‘Richtigkelt’): een normatieve uitspraak is juist als ze past binnen een geheel van als juist erkende normen;
3. waarachtigheid (‘Wahrhaftigkeit’): een expressieve of evaluatieve taaluiting is waarachtig als de spreker oprecht is en niet het slachtoffer is van zelfmisleiding; en
4. begrijpelijkheid en welgevomzdheid (‘Verständlichkeit’ en ‘Wohlgeformtheit’): een taaldaad is begrijpelijk en welgevormd als ze beantwoordt aan taal interne (b.v. grammaticale) regels.
Iedere taaldaad refereert volgens HABERMAS aan al deze geldigheidsclaims tegelijk. Communicatieve rationaliteit verwijst dus naar vier kritiseerbare geldigheidsclaims en niet enkel naar de claim van objectieve waarheid zoals in de cognitief instrumentele rationaliteitsopvatting.

B. HET DISCOURS OVER DE GELDIGHEIDSCLAIMS

De geldigheidsclaims kunnen bij iedere taalhandeling in vraag gesteld worden waardoor rationele uitingen voor verbetering vatbaar zijn. Als de communicatie niet wordt afgebroken, kan dit gebeuren

1. op basis van een willekeurige aanspraak op macht, of
2. door goede redenen in te brengen voor (en zo de geldigheidsclaims kritiseerbaar te maken van) de taalhandeling.

Als goede redenen ingebracht worden treden de sprekers binnen in het discours (‘Diskurs’), d.w.z. het spreken over de geldigheidsclaims van een taalhandeling. Wanneer in het discours enkel het betere argument doorslaggevend is dan is er sprake van een ideale spreeksituatie (‘ideale Sprechsituation’). Ideaal is volgens HABERMAS een spreeksituatie als de deelnemers aan het communicatieve handelen een gelijke kans hebben om in het discours binnen te stappen en er gelijke kansen hebben om argumenten te uiten. Onder zulke omstandigheden zijn taaldaden op sociaal communicatieve wijze voor verbetering vatbaar. Dit betekent niet dat hij veronderstelt dat een discours hoe dan ook tot verbetering van taalhandelingen zal leiden: het discours kan op ieder moment worden afgebroken en er blijft de mogelijkheid dat de sprekers het niet met elkaar eens blijven.

HABERMAS onderscheidt drie soorten discours:
1. het theoretische discours over de waarheid van uitspraken;
2. hetpraktische discours overde juistheid van uitspraken; en
3. het explicatieve discours over de welgevormdheid van uitspraken.
Ten aanzien van de goede redenen die in dit discours worden aangebracht kunnen telkens jalnee stellingnames worden ingenomen. Fxpressieve en evaluatieve uitspraken kunnen ook worden beoordeeld, maar niet in een discours. Expressieve taaluitingen hebben betrekking op de intenties en gevoelens van de spreker en kunnen naar het model van de therapeutische kritiek worden besproken. De therapeutische kritiek is evenwel geen discours gezien de asymetrische relatie (tussen patiënt en therapeut). Evaluatieve uitspraken refereren naar de mening van de spreker. Deze uitspraken kunnen gethematiseerd worden naar het model van de esthetische kritiek, maar ook hier gaat het niet om een discours omdat het enkel het aannemelijk maken, niet het argumenteren tot verbetering, van een evaluatieve taalhandeling tot doel heeft.

C. LEEFWERELD EN SYSTEEM

In de samenleving worden taalhandelingen veelal niet in vraag gesteld omdat ze geschieden tegen de vanzelfsprekende achtergrond van de leefwereld (‘Lebenswelt’). HABERMAS beperkt de leefwereld niet tot het culturele erfgoed van de traditie; mensen zijn immers niet alleen produkt van een bepaalde traditie (cultuur), maar ook van solidaire groepen (maatschappij) en van socialisatieprocessen (voor de vorming van hun persoonlijkheid). De leefwereld verwijst dus tegelijk naar symbolische reproductie (van de cultuur), naar sociale integratie (van de maatschappij) en naar socialisatie (van de persoonlijkheid).

Doorheen de geschiedenis is de leefwereld gerationaliseerd, d.w.z. uitgedifférentieerd naar de verschillende geldigheidsclaims. Zo wordt het aannemen van een bepaalde houding t.a.v. de verschillende claims van een uitspraak mogelijk. HABERMAS onderscheidt drie zulke houdingen:

1. een objectiverende houding over ware uitspraken van een stand van zaken in de natuur;
2. een normativerende houding over juiste uitspraken in de intersubjectieve werkelijkheid, de maatschappij (samen met de natuur refereert dit werkelijkheidsdomein naar de buitenwereld); en
3. een expressieve houding ten aanzien van de innerlijkheid (binnenwereld) van een spreker.

De rationalisering van de leefwereld leidt niet enkel tot uitdifferentiëring van de claims, maar ook tot leerprocessen van argumentatie voor elke claim. Bovendien worden deze leerprocessen maatschappelijk geïnstitutionaliseerd. Aldus ontstaan gespecialiseerde instituties, zoals wetenschap (theoretisch discours), recht en moraal (praktisch discours) en kunst (expressieve handelingen). Deze maatschappelijke institutionalisering vat HABERMAS Op als een van de leefwereld verzelfstandigd gebeuren: de systemen, eens afgezonderd van de leefwereld, kunnen zichzelf reproduceren.

D. DE KOLONISERING VAN DE LEEFWERELD

De verzelfstandiging van de systemen doorheen de geschiedenis neemt volgens HABERMAS een bijzondere en problematische vorm aan omdat zij zich weten te handhaven zonder zich nog te moeten beroepen op de geldigheidselaims van de leefwereld, Immers, in deze systemen functioneert niet meer het medium taal, maar het medium geld (in het systeem economie) en het medium macht (in het systeem politiek). Bovendien tasten systemen de leefwereld ook aan, in de zin dat de leefwereld wordt uitgehold of, in de terminologie van HABERMAS, gekoloniseerd. De leefwereld wordt systematisch geweld aangedaan en een deel van haar communicatieve kritiseerbaarheid wordt haar ontnomen.

Hiermee meent HABERMAS de kern van de maatschappelijke problemen in de moderne samenleving te hebben gevonden. HABERMAS’ kritiek van de samenleving kan worden samengevat als een kritiek van de s~Lemisch gekoloniseerde leefwereld. Van hieruit kan ook HABERMAS’ kritiek op de (traditionele) wetenschap begrepen worden. Hij schetst in Theorie des kommunikativen Handelns vanuit een maatschappijtheoretische optiek de relatie tussen de kennis en waardecomponent in de wetenschap. Iedere taaldaad bevat hoedanook een aanspraak op waarheid, juistheid en waarachtigheid, want deze claims beantwoorden aan de universele structuur van de taal. Een wetenschappelijke stelling moet volgens HABERMAS niet enkel beoordeeld worden op basis van haar geldende verwijzing naar een stand van zaken (waarheid), maar ook op basis van haar gepastheid binnen een normatieve code (juistheid) en op basis van de waarachtigheid van de spreker. Dat geldt voor iedere taalhandeling en dus ook voor wetenschappelijke uitspraken.

E. SOCIALE EN SYSTEMISCHE INTEGRATIE

Opvallend aan HABERMAS’ visie is dat hij een handelingsperspectief tracht te verzoenen met een systeem benadering. Volgens hem moet een maatschappijtheorie immers niet enkel een ontwikkelingsdynamica achterhalen (de feitelijke ontwikkeling) maar ook een ontwikkelingslogica (alle logisch mogelijke ontwikkelingen). Met betrekking tot de mogelijke rationaliseringsontwikkeling van de leefwereld schetst hij een drietal rationaliseringscomplexen. Deze baseren zich op een samengaan van de drie houdingen t.a.v. de geldigheidsclaims met de buitenen binnenwereld:

1. de cognitief instrumentele rationaliteit van de objectiverende houding t.a.v. de natuur (in de rationaliseringscompIexen wetenschap en techniek) en t.a.v. de maatschappij (in de sociale technologieën);
2. de moreel praktische rationaliteit van de normativerende houding t.a.v. de maatschappij (in het recht) en t.a.v. de binnenwereld van het innerlijk (in de moraal); en
3. de esthetisch praktische rationaliteit van de expressieve houding t.a.v. het innerlijk (in de erotiek) en t.a.v. de natuur (in de kunst).

Zoals de bespreking van de kolonisering van de leefwereld reeds aangaf, geschiedt deze rationalisering evenwel niet zonder problemen. De leerwereld verwijst zoals gezegd naar de onproblematische achtergrond van talig communiceren. Het handelingstheoretisch perspectief van de leefwereid schiet evenwel tekort. Immers, zo bekeken, zou zich doorheen de geschiedenis een geheel onproblematische rationalisering moeten voordoen, want het communicatieve handelen zou op ieder niveau gegarandeerd zijn. Dat is evenwel niet het geval: er kunnen zich storingen voordoen. Om deze storingen in kaart te brengen stapt HABERMAS over naar de ontwikkelingsdynamica vanuit een systeemtheoretisch perspectief De leefwereld kan immers enkel opgevat worden binnen een omgeving, het materieel substraat van de leefwereld (b.v. het organisme als substraat van de persoonlijkheid). De leefwereld dient dus ook materieel gereproduceerd te worden en dit doet zich voor als een systemische leefwereldbeperking. Kortom, maatschappijen dienen vanuit twee perspectieven te worden beschouwd: handelingstheoretisch kunnen de symbolische reproductie en de eventuele storingen in de communicatie van de leefwereld worden ontleed en systeemtheoretisch kunnen de materiële reproductie en de systemische storingen worden opgespoord. Belangrijk is dus dat HABERMAS’ maatschappijtheorie zowel handelings als systeem theoretisch moet opgevat worden.

F. HET RECHT ALS INSTITUTIE EN ALS MEDIUM

HABERMAS’ visie op het recht werd reeds in het kort aangehaald. Het recht wordt in de optiek van HABERMAS opgevat als de institutionalisering van de moreelpraktische rationaliteit in de normativerende houding die wordt aangenomen ten aanzien van de intersubjectieve buitenwereld. Het recht vervult hierbij een soort brugfunctie tussen leefwereld en systeem. Immers, als institutie weet het recht de verzelfstandiging van de systemen economie en staat mogelijk te maken. Dit gebeurt o.m. door het medium geld te institutionaliseren via het eigendoms en contractrecht en het medium macht via de principes van de bureaucratische organisatie. Zodoende zorgt het recht voor het juridische kader waarbinnen de systemen economie en staat als systeem en dus verzelfstandigd van de leefwereld kunnen functioneren. Tegelijk legitimeert het recht ook de functionering van economie en staat. Het recht zorgt m.a.w. voor de normatieve verankering van de media geld en macht in de leefwereld, het biedt de morele fundamenten voor de functionering van deze media.

HABERMAS erkent evenwel dat het recht geen onveranderlijk geheel is, maar dat er in de moderne samenleving, meer bepaald in de verzorgingsstaat, sprake is van een toenemendejuridisering, opgevat als een vermeerdering van het geschreven recht. Deze juridisering kent negatieve gevolgen voor de leefwereld. Immers, de bijstand aangeboden door het recht betekent hoofdzakelijk bijstand door financiële compensaties. en door beslechtingen binnen het bureaucratische apparaat. Kortom, door het recht wordt de communicatieve capaciteit van de leefwereld aangetast en vervangen door systemische eisen. Het recht functioneert zodoende ook als niedium, en wel op koloniserende, communicatievernietigende wijze in de leefwereld.

4. Communicatief handelen en (de)criminalisering: Habermas als abolitionist?

HABERMAS’ theorie van het communicatieve handelen is niet zonder belang gebleken voor de abolitionistische beweging in de criminologie. In onderstaande zal ik de verschillende tendensen van deze ‘Habermasiaanse’ invloeden weergeven.4

A. HET FENOMENOLOGISCH ABOLITIONISME

Het perspectief van Louk HULSMAN is, zeker in Europa, een van de meest gekende varianten van het abolitionisme in de criminologie. In wat volgt zal ik het algemeen theoretisch kader van HULSMAN slechts in enkele bewoordingen weergeven en vooral aandacht schenken aan de wijze waarop HABERMAS’ maatschappijtheorie het denken van HULSMAN heeft gevoed.5

Binnen HULSMAN’s criminologische benadering wordt niet de misdadigheid tot relevant onderzoeksprobleem gesteld, wel de strafrechtsbedeling, i.c. de wijze waarop in de samenleving een oplossing wordt gepretendeerd voor dat gedrag wat ze als misdadig omschrijft. Volgens HULSMAN houdt het geen steek om op bepaalde gedragingen het etiket ‘misdaad’ te plakken; hoogstens kan er sprake zijn van bepaalde problematisch ervaren gebeurtenissen. Het problematische, ongewenste karakter van zulke gebeurtenissen zal HULSMAN geenszins ontkennen maar zijns inziens biedt de strafrechtelijke praktijk daarvoor geen bevredigende oplossing. De strafrechtsbedeling ontneemt immers het conflict van de direct betrokkenen en giet het in een ontvreemdend gedehumaniseerd apparaat waar de aandacht exclusief uitgaat naar de geïndividualiseerde schuld van een individuele actor. Bovendien veroorzaakt de strafrechtpraktijk bijkomend leed aan de aan haar onderworpenen, met name door de toekenning van individuele straffen. Voor HULSMAN is de strafrechtsbedeling dermate problematisch dat er niets anders opzit haar zondermeer te verwerpen of haar mens vreemde praktijken minstens in te dijken en op zoek te gaan naar (gedeprofessionaliseerde, gedeïnstitutionaliseerde en gedecentraliseerde) wijzen van conflictbeslechting die dichter bij de betrokkenen zelf staan.

Hoe zit het nu met de HABERMAS invloeden in HULSMAN’s abolitionisme? Op de eerste plaats dient duidelijk gesteld te worden dat HABERMAS’ werk geenszins HuL smANs denken op gang zou hebben gebracht of rechtstreeks tot haar verdere ontwikkeling zou hebben bijgedragen. Het abolitionisme van HULSMAN is wat betreft haar analyse van de strafrechtpraktijk rechtstreeks schatplichtig aan de sinds de jaren ‘60 in voege gebrachte criminologische traditie van het interactionisme en de fenomenologie. HULSMAN is later zelf evenwel tot de vaststelling gekomen dat zijn abolitionistische standpunten, alleszins de analyse van de strafrechtpraktijk die eraan ten grondslag ligt, ook in Habermasiaanse termen kunnen geformuleerd worden. Men vindt dan ook (vaak zonder bibliografische referenties) termen van HABERMAS in HULSMAN’s werk opduiken.6 Meer bepaald de problematisch opgevatte verhouding tussen de praktijk van het strafrechtsysteem en de conflicten in het alledaagse leven drukt HULSMAN uit in de aan HABERMAS ontleende termen systeem en leefwereld. In de Nederlandse uitgave van Peines Perdues laat hij zich hier ook expliciet over uit wanneer hij wijst op de parallellen tussen, enerzijds, HABERMAS’ systeembegrip en zijn eigen beschrijving van de (objectiverende) functionering van de strafrechtsbedeling, en, anderzijds, HABERMAS’ notie van de leefwereld en zijn fenomenologische duiding van het alledaagse leven tussen (communicatief) vrij handelende mensen (cf. HULSMAN 1986a: 149150). Zo verbindt HuLsMAN in zijn analyse van het Nederlandse drugsbeleid de Habermasiaanse stelling van de kolonisering van de leefwereld met het (op GALTUNG gebaseerde) model van de maatschappelijke drie kleuren ontwikkeling (cf. HULSMAN 1984a, 1984c).7 Doorheen de geschiedenis ziet HULSMAN drie belangrijke ontwikkelingen in ‘ de maatschappij, nl. de blauwe fase van de industrialisering, de rode fase van de verzorgingsstaat, en, als reactie op beide, de groene fase van een meerdimensionaal gerichte aanpak waarin de verscheidenheid van het alledaagse leven tot haar recht kan komen. Op basis van dit model bekritiseert HULSMAN o.m. het door het Enkelvoudig Verdrag geïnspireerde Nederlandse (heroïne)beleid als een kolonisering van de groene elementen in de Nederlandse samenleving waar, zo betoogt hij, het gevoerde ‘groene’ hennepbeleid nochtans heeft aangetoond dat de kolonisering vanuit de leefwereld mogelijk kan (en moet) zijn.

Het fenomenologisch abolitionisme van HULSMAN kan begrepen worden als een pleidooi voor niet criminaliserende, kleinschalige initiatieven die dicht bij de mensen zelf trachten het hoofd te bieden aan problematische gebeurtenissen, zodat gaandeweg de strafrechtelijke praktijk haar invloed zal verliezen. Op gelijkaardige wijze stelt Willem DE HAAN voor om de functionering van het strafrechtsysteem in te dijken via praktisch georiënteerde mechanismen tot rechtzetting (‘redress’) van problematische gebeurtenissen (cf. DE HAAN 1986, 1988, 1990). Volgens DE HAm dienen abolitionistische alternatieven meer bepaald georganiseerd te worden door (in lijn met HABERMAS’ communicatieve rationaliteit opgevatte) dialogen tussen de betrokkenen in een conflict te vestigen. Op gelijkaardige wijze, en eveneens verwijzend naar HABERMAS, pleit Knut PAPENDORF voor een politiek van het onvoltooide waardoor alternatieve vormen van sociale controle geleidelijk de weg naar een volledig abolitionisme kunnen vrijmaken (cf. PAPENDORF 1985). Merkwaardig is in dit verband de mening van Detlef GARZ die eveneens, maar naar eigen zeggen tegen HABERMAS in, pleit voor pragmatische kleinschaligheid in abolitionistische initiatieven (cf. GARZ 1987).

B. HET STRUCTURALISTISCH ABOLITIONISME

Het abolitionisme kent een behoorlijk aantal varianten die niet allen zondermeer met elkaar te verzoenen zijn. Een aantal van deze benaderingen levert rechtstreeks, zij het sympatisch, kritiek op het perspectief van HULSMAN omwille van haar gebrek om de wijdere structurele context van de strafrechtsbedeling niet mee in rekening te hebben genomen. Bovendien blijkt dat door sommige auteurs getracht wordt aan deze bezwaren tegemoet te komen precies door aan te leunen bij de maatschappij theorie van HABERMAS.

De structuralistische variant binnen het abolitionisme bekritiseert HULSMANS’ benadering omdat ze in een te eng opgevatte fenomenologie blijft steken en geen oog heeft voor de bredere sociale, politieke, economische en ideologische context van het strafrechtelijke gebeuren.8

HULSMAN zou zich te exclusief richten naar de concrete gevolgen van de strafrechtspleging voor individuele en groepen van mensen; daardoor blijven in zijn analyse de historisch gegroeide oorzaken van het bestaan van een welbepaald systeem van strafrecht en haar inbedding in een omvattend maatschappelijk bestel buiten schot. Zodoende zouden HULSMAN’s abolitionistisch streven naar afschaffing van de huidige strafrechtspleging en zijn voorstellen voor korter bij de mensen staande alternatieven zondermeer praktisch onhaalbaar en bovendien op analytische gronden onwenselijk zijn: een meer menselijke vorm van conflietbeslechting is eenvoudigweg onmogelijk gegeven de samenleving wat ze in haar totaliteit is; enkel een ruimere samenlevingspolitiek zou daaraan kunnen verhelpen.

Een aantal auteurs binnen dit structuralistisch perspectief tracht precies door een op HABERMAS gestoelde analyse het abolitionisme een meer soliede en verantwoorde ondersteuning te verschaffen. Zo beklemtoont Alessandro BARATTA dat interactionistisch onderzoek terecht kan wijzen op het arbitraire karakter van het etiket’misdaad’, maar dat dit analysemodel tekort schiet als niet ook de materiële sfeer van etiketteren mee in rekening wordt gebracht (cf. BARATTA 1985, 1986, 1990; BARATTA en SILBERNAGEL 1988). Om hieraan tegemoet te komen ondersteunt BARmrTA de grondstelling van zijn analysemodel op drie theoretische constructies: situaties zijn sociaal negatief te noemen als ze

1. een negatie inhouden van reële behoeften (Bedürfnisse’) die
2. enkel dan als een objectieve constructie van sociale problemen kan worden gezien als ze
3. het gevolg is van een ‘gewaltfreien Kommunikation zwischen den Trägcrn dieser Bedürfnisse’ (BARATTA 1985: 45).

Met dit laatste punt sluit BARATTA aan bij HABERMAS’ stellingen van de ideale spreeksituatie. Bovendien, waar HULSMAN’s criminaliseringsthese blijft steken op een beperkt fenomenologisch niveau, voegt BARATTA, zich wederom baserend op HABERMAS, eraan toe dat de criminaliteitsconstructie in de hedendaagse strafrechtspleging niet enkel nadelig is voor de betrokkenen, maar dat ze ook een weergave is van de structurele machtsverhoudingen (‘Herrschaftsverhältnisse’) die binnen het kapitalisme historisch zijn mogelijk geworden. Op analoge wijze (en eveneens in navolging van HABERMAS) wijst Reinhard KREISSL erop dat het strafrechtsysteem vooral de reproduktie van een welbepaalde sociale structuur en normatieve orde tot doel heeft en dat het pas voor zichzelf problematisch wordt of in haar eigen bestaan wordt bedreigd als het in de leefwereld op zulke wijze binnendringt dat de sociale integratie op het spel komt te staan (cf. KREISSL 1985, 1986).

Het systemische, koloniserende karakter van het strafrecht dat BARATTA en KREISSL aansnijden, wordt door Gerlinda SMAUS nog verder in een Habermasiaans perspectief uitgewerkt (cf. SMAUS 1985a, 1985b, 1986, 1987). In een kritisch onderzoek van de in de huidige samenleving waargenomen tendens tot verstrakking van het strafrecht (en van het discours van de zgn. algemene preventie dat zich daaraan heeft gehecht) wijs SMAUS erop dat de geldende normen in het strafrecht onmogelijk op een consensus van de bevolking kunnen berusten aangezien ze niet het resultaat zijn van een ‘herrschaftsfreier Diskurs’ (SMAUS 1985: 101). Het strafrecht is volgens SMAUS koloniserend ten aanzien van de leefwereld maar tegelijk ook systeemfunctioneel voor zichzelf. Waar HULSMAN de problematisèhe werking van de strafrechtspleging opgelost ziet door een ontkolonisering vanuit de leelwereld van de betrokkenen, zet SMAUS, expliciet refererend aan HABERMAS, een stap in de andere richting door te wijzen op de systeemrationele aspecten van het strafrecht waaraan HULSMAN door zijn anti etatisme geen aandacht besteedde die pas te verklaren zijn indien men oog heeft voor het algeheel problematisch kapitalistisch maatschappelijk bestel, waardoor abolitionistische alternatieven die de leefwereld haar autonomie moeten teruggeven enkel mogelijk worden binnen een globale samenlevingspolitiek. Zo bekeken staat het abolitionisme natuurlijk voor een ontzaglijke opgave: niet enkel de strafrechtsbedeling moet hervormd worden, ook in het heel omringende ideologische en politiekeconomische systeem zal het een andere kant op moeten gaan.

Andere abolitionistische auteurs zijn het hier niet helemaal mee eens en beroepen zich daarvoor merkwaardig genoeg ook op HABERMAS. Zo meent Sebastian SCHEERER dat men in het abolitionisme heus niet zo pessimistisch moet zijn om een hervorming van het strafrecht, gegeven de weerbarstige politiek economische orde die iedere hervorming weer zou herinterpreteren als een systeem functionele vereiste, als utopisch te beschouwen (cf SCHEERER 1983, 1984, 1989). Vooreerst meent SCHEERER, in lijn met HABERMAS’ maatschappij theorie, dat de abolitionistische beweging zelf een leefwereld reactie vormt tegen een al te verregaande systemisering van het dagelijks leven: de abolitionistische theorievorming is voor SCHEERER de facto een anti koloniseringspraxis. Bovendien ziet SCHEERER in de samenleving niet enkel een tendens tot ‘colonialization of Lebenswelt’ (SCHEERER 1983:15), zoals dat (volgens hem niet ten onrechte, maar wel te exclusief en eenzijdig) bij de meeste structuralistische abolitionisten aan bod komt, maar ook leefwereldlijke impulsen vanuit ‘Alternativkulturen’ die de systemische kolonisering van de leefwereid daadwerkelijk, zij het in beperkte mate, een halt toeroepen. Een totale samenlevingsanalyse leidt bij SCHEERER dus merkwaardigerwijze niet tot zulke anti voluntaristische stellingen als bij BARATTA, KREISSL, of SMAUS.

5. Habermas als criminoloog: Gewogen en te zwaar bevonden?

Het is niet de bedoeling van deze bijdrage om zover te gaan een alternatieve door HABERMAS geinspireerde criminologie te schrijven. Wel heb ik trachten aan te tonen waar en boe het werk van HABERMAS in de criminologie bepaalde sporen heeft nagelaten. Algemeen kan worden gesteld dat het werk van HABERMAS, die nochtans doorgaat als een van de belangrijkste hedendaagse sociale denkers, slechts in beperkte mate toegang heeft gevonden tot de criminologie.9 Bovenstaande analyse suggereert bovendien een aantal belangrijke knelpunten van criminologische theorievorming en kritische bezwaren bij een Habermasiaanse criminologie die ik in onderstaande zal bespreken.

A. MISDAAD OF (DE)CRIMINALISERING?

Het meest in het oog springende van de criminologische HABERMAS transcripties is wel de enorme diversiteit van richtingen waarmee men met HABERMAS op weg is gegaan. Aan de ene kant steunen GROVES en SAMPSON hun structuralistische misdaadtheorie op HABERMAS’ theorie van de kennisbelangen en aan de andere kant voeden enkele abolitionisten op toch wel behoorlijk uiteenlopende wijzen hun bevindingen met HABERMAS’ theorie van het communicatieve handelen. De aansluiting van de bijdrage van GROVES en SAMPSON met HABERMAS’werk lijkt me behoorlijk in gebreke te blijven, zoniet zonder meer onverantwoord te zijn.10 Vooreerst kan worden opgemerkt dat GROVES en SAMPSON in hun benadering HABERMAS’visie over de verhouding tussen de verschillende kennisbelangen verkeerdelijk hebben geïnterpreteerd. Immers, het was er HABERMAS geenszins om te doen om met de identificatie van de drie kennisbelangen een nieuw unificerend geheel voor te stellen; integendeel hij wilde laten zien hoe het emancipatorisch kennisbelang onverzoenbaar is met de te beperkt opgevatte belangen van de empirische en hermeneutische wetenschappen. GROVES en SAMPSON daarentegen suggereren dat het technische, het praktische en het emancipatorische kennisbelang onproblematisch kunnen worden samengebracht. Van elke criminologische theorie (die ze verbinden met een van de drie kennisbelangen) lijken ze immers vruchten te kunnen plukken. Zij weten deze theorieën moeiteloos te verzoenen door ze op een bepaald niveau van culturele of structurele analyse te situeren en door al deze verklaringsmodellen te overgieten met het radicaal sausje van de emancipatorische bevrijding. Of de zaken zo eenvoudig liggen, ook vanuit de optiek van HABERMAS, is zeer sterk de vraag. Deze wil met zijn theorie van de kennisbelangen immers aanduiden hoe wetenschap en kritiek onlosmakelijk verbonden zijn, hoe ook die wetenschappen die enkel, enerzijds, controleerhaarheid en kennis van standen van zaken of, anderzijds, begrijpelijkheid van geconstrueerde zingevingen pretenderen na te streven geschraagd worden door normatieve menselijke belangen. Het theoretisch discours over kennisinhouden omhelst volgens HABERMAS daarom ook noodgedwongen en tegelijkertijd een praktisch discours over normen. Maar hoe GROVES en SAMPSON deze idee van HABERMAS kunnen verzoenen met een samenvoegen van traditionele en marxistisch geinspireerde theorieën, die beide toch door geheel andere normen gestuurd worden, en boe ze kunnen vasthouden aan empiristische en positivistische oorzakelijkheidsopvattingen in een radicaal criminologisch kader is me, zeker vanuit de discoursopvatting van HABERMAS geheel onduidelijk.

Bovendien kan worden opgemerkt dat GROVES en SAMPSON enkel een verklaring trachten te bieden van een realistisch opgevatte notie van criminaliteit, terwijl ze processen en systemen van sociale controle die criminaliteit maatschappelijk construeren buiten beschouwing laten. Een kritisch marxistisch perspectief - hetgeen GROVES en SAMPSON toch pretenderen aan te hangen kan mijns inziens nochthans bezwaarlijk voorbijgaan aan processen van sociale controle. Een kritisch radicaal perspectief verlegt de aandacht zelfs vaak helemaal van misdaad naar sociale controle: niet de misdaad (en zeker niet de misdadiger) is een relevante onderzoekscategorie, wel de strafrechtsbedeling en, ruimer, de moderne (kapitalistische) samenleving in haar geheel. Maar van dit alles vindt men bij deze auteurs niets terug.

Ten slotte kan worden opgemerkt dat zij slechts marginaal beroep doen op de communicatie theorie van HMERMAS. Afgezien van het probleem hoe HABERMAS’ epistemologie kan verzoend worden met zijn maatschappijtheorie van het communicatieve handelen”, slaan ze de bal behoorlijk mis wanneer ze HABERMAS’ ideale spreeksituatie van de hand doen als een utopisch idealistische illusie. Immers, HABERMAS’ ideale spreeksituatie moet opgevat worden als een contrafactische gegevenheid: als regulatieve idee moet de ideale spreeksituatie bij iedere taalhandeling aanwezig zijn anders zou sociale communicatie eenvoudigweg niet mogelijk zijn. Bovendien vereist ideaal spreken op het niveau van het discours precies dat het discussiëren over kritiseerbare geldigheidsclaims niet gestoord is, noch door kenmerken eigen aan de communicatie, noch door structurele factoren. De sprekers in een discours moeten gelijke kansen hebben om aan het discours deel te nemen en om er hun argumenten aan bod ie laten komen. Maar hiertoe moet volgens HABERMAS ook aan twee andere voorwaarden voldaan zijn: tussen de actoren mogen er geen structurele machtsverschillen bestaan en alle actoren moeten zich in waarachtigheid ten overstaan van elkaar uiten. HABERMAS schenkt dus wel degelijk (tegemoetkomend aan de eisen van GROVES en SAMPSON) aandacht aan structurele (machts) factoren die de ideale communicatie kunnen verstoren. Al met al lijkt me de Habermasiaanse integratiepoging van GROVES en SAMPSON daarom weinig vruchten af te werpen, zoniet volledig mank te lopen.

Het abolitionisme daarentegen kan m.i. wel enkele van de tegen GROVES en SAMPSON geuite bezwaren opvangen. Zo kan worden gewezen op het feit dat het abolitionisme wel de nodige lessen getrokken heeft uit de fenomenologische wende in de sociale wetenschappen, een idee die ook bij HABERMAS, vooral in zijn discussie over de leefwereld, aanwezig is. Hei abolitionisme schenkt aandacht aan de constructie van sociale problemen (met name de misdaad) en het ingrijpen van systemische praktijken in het dagelijks leven. Bovendien trachten de meer structuralistisch geïnspireerde abolitionisten aan te tonen hoe een kritiek van de strafrechtspleging ook een kritiek moet omhelzen van het strafrecht als maatschappelijk ingebed systeem, een notie die goed past binnen HABERMAS’ kritisch theoretisch totaalperspectief SCHEERER wijst (als enige) bovendien op de reeds bestaande mogelijkheden in de leefwereld om de koloniseringscapaciteit van systemen in te dijken, een element dat ook HABERMAS niet ontkent.12 Niettemin wil ik in wat volgt ook een aantal hangende knelpunten identificeren met betrekking tot het Habermasiaans karakter van het abolitionisme.

B. HABERMAS ALS VOETSTUK VAN WELK ABOLITIONISME?

In zijn historisch overzicht van de abolitionistische theorievorming schrijft VAN SWAANINGEN (1988: 66): ‘Aan de basis van de ontwikkeling van het wetenschappelijk abolitionisme staan de werken van drie filosofen ... : Michel Foucault, Jürgen Habermas en Ivan Illich’. Deze stelling lijkt me slechts ten dele op te gaan. Immers, er kan onmogelijk beweerd worden dat genoemde wijsgeren de basis zouden vormen van het ontstaan van het abolitionisme. In feite heeft abolitionisme een eigen ontstaansgeschiedenis binnen de strafrechtelijke en criminologische theorievorming, onafhankelijk van het werk van FOUCAULT, HABERMAS of ILLICH.13 Daarmee wil ik niet ontkennen dat het abolitionisme in haar verdere ontwikkeling niet geïnspireerd is door een aantal belangrijke filosofen. In deze bijdrage heb ik zo de, toch duidelijk aanwezige, invloed van HABERMAS in het abolitionisme trachten bloot te leggen. Maar meer dan van een inpassen van enkele Habermasiaanse noties binnen een reeds bestaand abolitionistisch perspectief kan er geen sprake zijn. Dat blijkt vooreerst uit de niet systematisch volgehouden wijze waarop sommige abolitionisten zich op HABERMAS beroepen. Bij HULSMAN bijvoorbeeld verschijnen nu eens de termen kolonisering en leefwereld, dan weer niet. HULSMAN’s gebruik van Habermasiaanse termen is dan ook eerder metafórisch te noemen: leefwereld versus systeem lijkt in de ogen van HULSMAN goed op dagelijks leven versus strafrecht, maar verder gaat zijn beroep op HABERMAS niet.

Enkele structuralistische abolitionisten daarentegen lijken me meer van de consequenties van HABERMAS’ communicatie theorie in acht te nemen wanneer ze de abolitionistische analyse trachten uit te breiden tot een meer omvattende samenlevingstheorie waartoe ook een grondige analyse van de systemische werking van het strafrechtelijke staatsapparaat behoort. Aldus komen ze beter tegemoet aan HABERMAS’ wens om in zijn theorie van het communicatieve handelen een verzoening te bewerkstelligen tussen een handelings en een systeemperspectief de mens wordt bij HABERMAS opgevat als tegelijk (in de leefwereld) scheppend subject èn (in de systemen) ‘Verdinglicht’ object. Anderzijds lijken me de structuralistische abolitionisten, die per slot van rekening HABERMAS ook pas later aan hun analyse hebben toegevoegd, niet het precieze gehalte van HABERMAS’ kritische theorie weer te (willen) geven: wat met het communicatie theoretische karakter van HABERMAS’ leefwereld en zijn (technisch behoorlijk complex) aanleunen met de taalwetenschap?; wat met HABERMAS’ sociale evolutietheorie en de ontkoppelingsrelatie tussen leefwereld en systeem?; wat met zijn precieze omschrijving van enkel de systemen economie en staat, en de media geld en macht?; wat met HABERMAS’ standpunten omtrent het recht? Geen van deze vragen komen in het structuralistisch abolitionisme aan bod.

Bovendien beroept een aantal abolitionisten zich ook geregeld op het werk van Michel FOUCAULT (cf. FOUCAULT 1975,1989). Het mag misschien geen verbazing wekken dat het werk van FOUCAULT het abolitionisme heeft geïnspireerd; FOUCAULTs kritiek ten aanzien van het gevangenissysteem en zijn notie over de disciplinering van het lichaam zal inderdaad vele abolitionisten goed in de oren klinken.14 Maar zo wordt toch schromelijk voorbij gegaan aan de gehele discussie omtrent de verschillen in benadering tussen FOUCAULT en HABERMAS (...), evenals aan de vraag of en in hoeverre de ideeën van HABERMAS en FOUCAULT kunnen verzoend worden.15

Het valt buiten de opzet van deze bijdrage om in deze problematiek een standpunt in te nemen, maar dat neemt niet weg dat de HABERMAS FOUCAULT controverse aantoont dat de abolitionisten een discussie omtrent bepaalde grondslagen van hun eigen programma aan anderen schijnen over te laten.

C. INFORMALISERING OF JURIDISERING?

Afgezien van de vraag in hoeverre het verantwoord is dat het abolitionisme zich met betrekking tot haar analyse van de strafrechtelijke praktijk beroept op stellingen van HABERMAS, is daarmee natuurlijk nog niet aangetoond of ook de abolitionistische beleidslijnen tot afschaffing (of minstens inperking) van het strafrecht waaraan het abolitionisme per slot van rekening haar naam te danken heeft op Habermasiaanse leest kan geschoeid worden. HABERMAS heeft gelukkig expliciet en omstandig aandacht geschonken aan een bespreking van het recht en er is ook reeds een zeer uitgebreide discussie gevoerd omtrent HABERMAS’ notie van het recht. Ik meen dat aan een aantal van deze discussiepunten cruciale en, voor het abolitionisme ronduit verontrustende, consequenties zijn verbonden.

Hierboven werd er reeds op gewezen dat HABERMAS in Theorie des Koninzunikativen Handelns het recht opvat als institutie en als medium. In latere publikaties heeft HABERMAS deze mening evenwel deels aangepast (cf. HABERMAS 1987, 1988a, 1988b; zie ook: VAN DER BURG en VAN REIJEN 1988). Het probleem in HABERMAS’ oorspronkelijke behandeling van het recht was dat hij onvoldoende aandacht kon schenken aan het feit dat het recht tegelijk in de leefwereld als koloniserend medium kan functioneren en tezelfdertijd toch moreel legitiem kan zijn. Daarom argumenteert HABERMAS nu dat het recht procedureel gelegitimeerd kan worden (en zodoende een band kan onderhouden met de moraal) doordat het in zichzelf de idee van een democratische rechtsstaat draagt. Eenvoudig gezegd komt het hierop neer dat procedurele rationaliteit in het recht gegarandeerd is doordat in juridische procedures een naar morele en juridische principes verwijzend juridisch discours wordt geïnstitutionaliseerd. De formele eigenschappen van het recht hebben in een democratische rechtsstaat m.a.w. een impliciete, niet concrete maar algemene morele inhoud. De principes waaraan het recht zijn moreel gehalte te danken heeft moeten dan wel gebaseerd zijn op een morele argumentatie in het perspectief van een praktisch discours (waarmee HABERMAS trouw blijft aan de grondgedachte van zijn theorie van het communicatieve handelen). Op basis van dit model kan HABERMAS dan ook argumenteren dat manifestaties van burgerlijke ongehoorzaamheid (b.v. ten tijde van de anti raketten betogingen) in die mate legitiem zijn dat ze de rechtsorde als dus niet aanvallen terwijl het toch gaat om een opzettelijk overtreden van enkele bijzondere rechtsnormen (cf. HABERMAS 1985b, 1986). Dat de rechtsorde toch gelegitimeerd blijft berust ondermeer op het feit dat wetten via democratische besluitvormingsprocedures in constitutionele organen totstandkomen. Deze besluitvorming moet dan wel geschieden in het licht van een praktisch discours, d.w.z. dat de legitimerende principes op goede redenen moeten kunnen steunen die instemming verdienen of verliezen (voor deze laatste mogelijkheid is de burgerlijke ongehoorzaamheid een signaal).

In feite werd de noodzaak van de wende in HABERMAS’ rechtsdenken reeds aangekondigd in enkele kritische rechtstheorctische artikelen. Zo werd door Peter BAL en Pieter IPPEL gewezen op het feit dat in de juridische praktijk sneller tot juridisering dan informalisering wordt overgegaan, dat juridisering een aanscherpen van procedures kan omvatten, dat het in die zin de gelijkwaardigheid tussen de partijen kan vergroten (een eis van de ‘herrschaftsfreie Kommunikation’) en dat het model van het praktisch discours als contrafactisch ideaal in strafproceszaken aanwezig is en als regulatieve toetssteen voor een analyse van hun concrete werking kan dienen (cf. BAL 1988; BAL en IPPEL 1982; IPPEL 1988). Ook werd er reeds vóór HABERMAS zelf op gewezen dat juridisering niet zo negatief hoeft te zijn als hij in Theorie des Kommunikativen Handelns had voorgesteld. Juridisering is volgens Wibren VAN DER BURG b.v. zonder meer toe te juichen als het de functionering van de media geld en macht buiten de systemen economie en staat weet in te perken, als juridisering op niet rationele discussie gebaseerde overtuigingen in de leefwereld kan tegenwerkenals de werking van de systemen economie en staat door juridisering onder een toenemende controle van de leefwereld komen (cf. VAN DER BURG 1985; zie ook RAES 1985,1986). Andere auteurs wijzen er evenwel op dat het formalistisch karakter van HABERMAS’ rechtvaardigingstheorie weinig steek houdt als niet een aantal morele inhouden mee in rekening worden genomen en als een soort vast fundament voor legitieme beoordeling kunnen dienen. Paul COBBEN b.v. betoogt dat in het recht hoe dan ook een discussie omtrent zedelijke normen in het geding is en dat morele argumentatie enkel mogelijk is, niet door een eng opgevatte ideale spreeksituatie, maar binnen een samenlevingsvorm waarin een vrijheids en rationaliseringsstreven institutioneel gegarandeerd is (cf. COBBEN 1989). Peter BAL van zijn kant relateert zijn praktisch discours model aan de problematiek van de mensenrechten waarin hij de ultieme referentie voor morele argumentatie meent te vinden: procedurele rechtvaardigingsprincipes dienen rekening te houden met de morele inhouden van de mensenrechten (cf. BAL 1990).

Indien we deze discussie terugkoppelen naar het abolitionisme dan valt meteen te noteren dat juridisering vanuit Habermasiaans perspectief niet zondermeer negatief te noemen is. Het is nochtans duidelijk dat binnen zowel een fenomenologisch als een meer structuralisiisch georiënteerd abolitionistisch perspectief voor deze mogelijkheid geen plaats wordt ingeruimd. Immers, waar binnen een fenomenologisch abolitionisme á la HULSMAN iedere vorm van conflictbeslechting die niet direct tot de leefwereld van de betrokkenen behoort zondermeer en totaal van de hand wordt gewezen, komt het structuralistisch abolitionisme niet verder dan enkel de koloniserende aspecten van de van rechts en staatswege georganiseerde conflictbeslechtingsmechanismen bloot te leggen. Waar voor de een institutionalisering, centralisering en juridisering worden afgewezen omwille van hun mensonvriendelijke eigenschappen, wijzen de anderen op het totaal problematische, alom verdachte karakter van alles wat onder het kapitalistische samenievingsbestel (straf)rechtelijk tot stand wordt gebracht. Dat beide abolitionistische strekkingen hiermee nauwelijks recht doen aan het complexe karakter van HABERMAS’ samenlevingstheorie hoeft geen betoog. Zonder te willen beweren dat HABERMAS’ werk wel die aandacht zou verdienen, kan hiermee natuurlijk niet ontkend worden dat het abolitionisme in de discussie omtrent haar theoretisch programma nog een behoorlijke weg af te leggen heeft wil ze niet verstrikt raken in het web van haar eigen grondslagen en verder gaan dan wat rudimentaire verwijzingen naar een of andere grootmeester in het sociale denken.

Referenties

BAL, P., Dwangkommunikatie inde Rechtszaal, Arnhem, Gouda Quint, 1988.

BAL, P., ‘Procedure rationaliteit en mensenrechten in het strafproces’, Recht en Kritiek, 16(3): 259-279,1990.

BAL, P, en IPPEL, P., ‘Waarheen met het strafrecht? Met Habermas op weg’, Recht en Kitiek, 8(4):434 462,1982.

BARAK, G. ‘Comment on “Traditional contributions to radical criminology” by Groves and Sampson’, Journal of Research in Crime and Delinquency, 24(4): 332 335, 1987.

BARATTA, A ‘Die kritische Kriminologie und ihte Funktion in der Kriminalpolitik’, Kriminalsoziologische Bibliografie, 12(49): 38 51, 1985.

BARATTA, A., ‘Soziale Probleme und Konstruktion der Kriminalität’, lciiminologisches Joumal, 18:200 218,1986.

BARATTA, A., ‘Rationale Drogenpolitik? Die soziologischen Dimensionen eines strafrechtlichen Verbots’,KrimmologischesJoumal, 22(1):2 25,1990.

BARATTA, A. en SILBERNAGEL, M., ‘Neue Legitimationsstrategien des Strafrechts und ihre Kritik als Realitaetskritik, Kriminologisches Joumal, 20(1): 32 49,1988.

BERNAT DE CELIS, J.,’Les grandes options de la politique criminelie: IA pmpective de Louk Hulsman’,Archives de Politique Criminelle, (5):13 60,1982.

BERNAT DE CELIS, J., ‘Wither Abolitionism?’ in ROLSTON, B. en TOMLINSON, M. (red.), Justice & Ideologv. Strategics flor the 1990s, p. 7 13, s.I., ne European Group for the Study of Deviance and Social Control, Working Papers, 9,1989.

BLAD, J., VAN MASTRIGT, H. en UILDRIKS, N., ‘Hulsman’s Abolitionist Perspective: The Criminal Justice Systern as a Social Problem, in BLAD, J., VAN M~GT, H. en UiLDRIKS, N. (red.), The Criminal Justice System as a Social Problem. An Abolitionist Perspective (Liber Amicorunt Louk Hulsman, Part One), p. 5^17, Rotterdam, Juridisch Instituut, Erasmus Universiteit, 1987.

BOHM, R.M., ‘Comment on “Traditional contributions to radical criminology” by Groves and Sampson’, Jou~ oflRcsearch in Crimc andDdinquency, 24(4): 324 331,1987.

COBBEN, P., ‘Kan legitimiteit zuiver procedureel gegarandeerd worden? Een kritische beschouwing over Habermas’ conceptie van de verhouding tussen moraal, recht en politiek’, Recht en Kritiek, 15(3):262 279,1989.

DF FOLTER, R.S., ‘On the metbodological foundation of the abolitionist approach to the climinal justice system: A comparison of the ideas of Hulsman, Mathiesen and Foucault’, Contemporary Crises, 10(1): 39 62,1986.

DE HAAN, W., ‘Abolitionism and the Polities of “Bad Conscience”, in BIANCHI, H. en VAN SWAANINGEN (red.), Abolitioniun: Towardv a Non Repressive Approach to Crime, p. 157 177, Amsterdam, Free University Press, 1986.

DE HAAN, W., ‘The Necessity of Punishment in a Jus£ Social Order. A Crilical Appraisal’, Intemational Joumal ofj*e SocioloV ofLaw, 16(4): 433 453,1988.

DE HAAN, W., The Politics of Redress. Crime, Punishment and Penal Abolition, London, Unwin Hyman, 1990.

DE JONGHE, E., ‘De theorie van het “communicatieve handelen” bij J. Habermas: Een inleiding,’ Politica, 32:169 207,1982.

DE PROOST, W., Het Abolitionistisch Perspektief van Louk Hulsman, Lic. Thesis Criminologie, K.U. Leuven,1990.

DUMM, T.L., ‘The Politics of Post Modern Aesthetics; Habermas contra Foucault’, Political Theory, 16(2): 209 228, 1988.

FOUCAULT, M., Surveiller ei Punir. Naissance de la Prison, Paris, Gallimard, 1975.

FOUCAULT, M., Discipline, Toezicht en Straf. De Geboorte van de Gevangenis, Groningen, Historische Uitgeverij, 1989.

GARZ, D.,’Soliten wir vielleicht doch eingreifen? Abolitionismus Gerechtigkeit JusL Community’,Kiiminologischeslountal, 19(3):212 228,1987.

GIDDENS, A, ‘Reason Without Revolution? Habermas’s Theory of Communicativc Action’ in A GIDDENS, Social Theory and Modern Sociology, p. 225 252, Cambridge, Polity Press, 1287.

GORTZEN, R.,’Inleiding’in HABFR.MAS, J.,Marxisme en Filosofie, p. 7 71, Boorn, Meppel, 1981.

GROVES, G. en GROVFS, W.B.,’Crime and Human Nature: A Marxist Perpective’, Comemporary Crises, 12: 145 171, 1988.

GROVES, W.B.,’Marxism and positivism’, Ciime ondSocialJustice, 23:129 150,1985.

GROVES, W.B. en LYNCH, M.J., ‘Reconciling Structural and Subjective Approaches to the Study of Crime’, Journal ofResearch li& Crime and Dchnquency, 27(4): 348 375, 1990.

GROVES, W.B. en SAMPSON, R.J., ‘Critical Theory and Cri minology’, Social Problems, 33(6): S58S80,1986.

GROVES, W.B. en SAMSPON, R.J., ‘Traditional Contributions to Radical Criminology’, Joumal of Research ira Crime atidDelipiquericy, 24(3):181 214,1987(a).

GROVES, W.B. en SAMPSON, R,J.,’Reply to Bohin and Barak’, JoumaloflRcscarch in Crime andDelitiqu£7icy, 24 (4):336 340,1987(b).

HABERMAS, J., l’echnik und Wissenschaft als Ideologie, Frankfurt, Suhrkamp, 1968.

HABERMAS, J.,’Kennis en belang’, in BAARS, J., Een keuze uit het Werk van Jürgert Haberrnas, p. 101 116, Deventer, Van Loghum Slaterus, 1973.

HABERMAS, J., Theorie des Korrummikativen Handeltis. Band 1: Handlangsrationaliffil und Gesellschaftliche Rationalisierung Band 2: Zur.”ik der Funkrionalistischen Vermuift, Frankfurt, Suhrkamp, 1981.

HABERMAS, J., Der Philosofische Diskurs drr Moderne. Zwólf Vorlasungen, Frankfurt, Suhrkamp, 1985(a).

HABERMAS, J., ‘Civil Disobedicnce: Litmus Test for the Democratie Constitutional State’, Berkde), Journal oflSociologv, 30: 96 116,1985(b).

HABERMAS, J.,’Burgerlijke ongehoorzaamheid: Toetssteen voor een demokratiese rechtsstaat’, riisis, (22):54 69,1986.

HABERMAS, J.,’Wie ist Legitimität durch Legalität móglich?’, ~he Justiz, 20:1 16,1987

HABERMAS, J., Recht und Moral Zwei Vorlesungen, 1988(a).

HABERMAS, J., Recht en Moraal. Twee voordrachten, Kampen, Kok Agora, 1988(b).

HONNETH, A, ‘Critical Theory’, in GH)DENS, A~ en TuRNER, J.H. (red.), Social Theory Today, p. 347 382, Stanford, Stanford University Press, 1987.

HORKHEIMER, M., ‘Traditionelie und kritische Theorie’, Zeitschrift fur Sozialforschung, 6(2): 245294,1937.

HULSMAN, L. ‘Überlegungen zu Tendenzen der holländischen Sirafrechtsrorm’, Kiiminalsoziologische Bibliografie, 9(35): 57 82,1982.

HULSMAN, L., ‘Het Nederlandse herdinebeleid in internationaal perspectief’, Tijdschrift voor Criminologie, 26:76 97,1984 (a).

HULSMAN, I_Drugbeleid’, Delikt~linkwent, 14:197 203,1984(b).

HULSMAN, L., Drug Policy as a Source of Drug Problems and a Vehicle of Colonisation and Repression, Paper gebracht voor de conferentie ‘Alcohol, Drogas y Criminalidad’, Quinto, Universidad Central del Ecuador, 1984(c).

HULSMAN, L, Aftcheid van het Recht: Een Pleidooi voor Zelfregulering, Houten, Het Wereldvenster, 1986(a).

HULSMAN, L., ‘Critical Criminology and the Concept of Crime’, in BIANCHI, H. en VAN SWAANINGEN, R. (red.), Abolitionism: Towards a Non Repressive Approach to Crime, p. 25 41, Amsterdam, Free University Press, 1986(b).

HULSMAN, L. en BERNAT DE CELIS, Peines Perdues: Le Systéme Pénal en Question, Paris, Centurion, 1982.

IPPEL, P., ‘Den Haag en Staphorst vandaag: Over abolitionisme en administratief recht’, in VAN SWAANINGEN, R. et al. (red.),A Tort ei á Travers. LibaArnicorum Herman Bianchi, p. 191 203, Amsterdam, VU, 1988.

JAY, M., De Dialektische Verbeelding. Een Geschiedenis van de Erankfiinter Schulé en hei Instifta ffir Sozialforschung 1923 1950, Baarn, Ambo, 1977.

JAY, M., ‘The Debate over Performative ConLradiction: Habermas vs. the post structuralists’, in HONNEM, A., McCARTHY, T., OFFE~ C. en WELLMER, A., (red.), Zwischenbetrachtungen: Im Pffizess derAufflärung, p. 171 189, Frankfurt, Suhrkamp, 1989.

KEULARTZ, J. en KUNNEMAN, H., ‘Kolonisering, disciplinering en onvergelijkbaarheid: Over de verhouding tussen Foueault en Habermas’, Krisis, (17):85 93,1984.

KORTHALS, M.,’De onoverzichtelijkheid van Habermas’ oeuvre’, in HABE~, J., De Nieuwe Onoverzichrelijkheid en Andere Opstellen, p. 7 27, Meppel, Boom, 1989.

KORTHALS, M. en KUNNEMAN, H., ‘De theorie van het communicatieve handelen: Een vraaggesprek met Jürgen Habermas’, Kennis en Methode, 7(4): 295 312,1983.

KREISSL, R., ‘Der Labeling Approach: Metamorphosen eines theoretischen Ansatzes’, Kriminologisches Journal, 17(2):137 144,1985.

KREISSL, R., Soziologie und Sozialé Kontrolle: Die Verwissenschaftlichung des I~naljusáz;kvsterm, München, Profil, 1986.

KUNNEMAN, H., ‘Habermas’ Theorie van het Communicatieve Handelen: Een Samenvatting, Meppel, Boom, 1985.

KUNNEMAN, H., De Waarheidstrechter. Een Communicatietheorctisch Penpectief op Wetenschap en Samenleving, Meppel, Boom, 1986.

LAERMANS, R.,’Foucault en Habermas: Een kritiek op de integratiepoging van Keulartz en Kunneman’, “is, (15): 86 92,1984.

LAERMANS, R., ‘Het postmodernisties spook getemd? Habermas’ verrijking van het moderne filosofiese betoog’, Krisis, (22):19 38,1986.

McCARTHY, T., ‘Translator’s introduction’, in HABERMAS, J., Legitimation Crisis, p. VII XXIV, London, Heincmann, 1976.

McCARTHY, T., The Critical Theory of Jürgen Habermas, Cambridge, MA, The MIT Press, 1989.

MELOSSI, D., ‘Overcoming the Crisis in Critical Criminology: Toward a Grounded Labeling Theory’, Criminolog, 23(2):193 1208,1985.

MELOSSI, D., The State of Social Control: A Sociological Study of Concepts of State and Social Control in the Making of Democracy, Cambridge, Polity Press, 1990.

MONKLER, H., ‘Die kritische tneorie der Frankfurter Schule’, in BALLE, Y_G. en OTr~N, H., Politische Philosophie des 20. Jahrhunderts, p. 179 210, München, Oldenbourg. 1990.

NOGALA, D. Polizei, Avancierte Technik und Soziale Kontrolle. Funktion und Ideologie Téchnikbesewer Kontrofistratepen vn Proxess der Rationalaierung von Heffschaft, Plaffenweiler, Centaurus, 1989.

OLAFSON, F.A., ‘Habermas as a philosopher’, Ethics, 100(3): 641 657, 1990.

PAPENDORF, Y, Gesellschoft ohne Gitter. EineAbsuge an die Traditionelle Krijninalpolitik, München, AG Spak, 1985.

RAES, K.,’Kommunikatief handelen en juridisering’, Recht en Kritiek, 11(2):114 150,1985.

RAES, K., ‘Legislation, Communication and Strategy: A Critique of Habermas’ Approach to lame, Joumal ofLaw and Society, 13(2): 183 206, 1986.

SCHEERER, S., Towards Abofifionism, Paper gebracht voor’the 9th International Congress on Criminology’, Wenen, 1983.

SCHEERER, S., ‘Die abolitionistische Perspektive’, K~ologisches Joumal, 16(2): 90 111, 1984.

SCHEERER, S., ‘Vom Pra ktischwerden’, Krimirwlogisches Joumaal, 21(1): 30 42,1989.

SMAUS, G., Das Strafrecht und die Kriminalität in der AIltagssprache der Deutschen B~Ikemng, Opladen, Westdeutscher Verlag, 1985 (a).

SMAUS, G., ‘Technokratische Legitimierungen des Strafrechts: Die Flucht nach vorne in die Generalprävcntion’, ZeitschriftffirRechtssoziologie, 6(1); 90 103,1985(b).

SMAUS, G., ‘Geselischalsmodelle in der abolitionistischen Bewegung’, Kriminologisches Joumal, 18(1):1 18,1986.

SMAUS, G., ‘General Prevention: A Ncw Rescue for the Technocratie Legitimations of tbc Penal Law’, in BLAD, J., VAN M~GT, H. en UiLDRiKs, N. (red.), SocialProblenu and CriminalJustice (Liber Amicorum Louk Hulsman, Part One), p. 47 65, Rotterdam, Juridisch Instituut, Erasmus Universiteit, 1987.

VAN DER BURG, W.,’De rechtstheorie van Jürgen Habermas’, Recht en Kritiek, 11(1): 6 26,1985.

VAN DER BURG, W. en VAN REUEN, W., ‘Inleiding: De plaats van de “Tanner lectures” in het oeuvre van Jürgen Habermas’, in ~mmAs, J., Recht en Moraal. Tkw Voordrachsen, p. 7 47, Kampen, Kok Agora, 1988.

VANHEERENTALS, L.’Abolitionisme als omstreden thema in België’, in VAN SWAANINGEN, R. et al., (red.), A Tart et 4 Travers. LiberAmiconan Herman Bianchi, p. 149 163, Amsterdam, VU, 1988.

VAN OUTRIVE, L., Political and Socio Economic Obstacles to Decriminalisation andAbolition ira die Continerttal Wmem Countries, Paper gebracht voor’the 9th International Congress on Criminology’, Wenen, 1983.

VAN OUTRIVE, L., ‘Huisman’s Abolitionism; T]re Great Reduction’, in BLAD, J., VAN MACGT, H. en UILDRIKS, N. (red.), ne Crimirtallustice System as a SocialProblem: Art Abolitionist Perspectivc (LiberAmicanun Louk Hulsman, Part One), p. 53 66, Rotterdam, Juridisch Instituut, Erasmus Universiteit, 1987.

VAN OUTRIVE, L., ‘Conditions el stratégies socio politiques de l’abolition du droit er du système pénal’, Rme Bcccaria, 1(1): 21 29,1988.

VAN RANSBEEK, H., ‘Reflections on Abolitionist Practices: Some Results of Abolitionist Research en ‘Tetty Crime” in two Social Contexts’, in ROLsToN, B. en TomLINSON, M., (red.), Justice & Idéology. Strategies flor die 1990s, p. 210 221, s.I., Ilie European Group for the Study of Deviance and Social Control, Working papers, nr. 9, 1989.

VAN SWAANINGFN, R., ‘What is Abolitionism?’, in BIANCHI, H. en VAN SWAANINGEN, R., (red.), Abolitionism: Towards a Non Repressive Approach to Crime, p. 9 21, Amsterdam, Free University Press, 1986.

VAN SWAANINGEN, R., ‘Strafrecht als sociaal probleem: Een overzicht van abolitionistische theorievorming’, Recht en Kritiek , 14: 59 78,1988.

VAN SWAANINGEN, R., ‘Abolitionisme als kritische géintegreerde strafrechtswetenschap’, Delikt en Delinkwent, 21(2):151 173,1991.

WEYNS,W., De Sociologie van Jürgen Habermas,Leuven, Acco, 1990.

WHITE, S. Foucault’s Challenge to Critical Theory’, American Political Science Review,g0(2):209 228,1986.

Voetnoten (nog niet gecorigeerd)

Met beste dank aan Lode Van Outrive en de commentatoren van Panopticon.

1. Voor historische overzichten van de Frankfurter Schule zie: JAY (1977); MUNKLER (1990). Voor de plaats van HABERAS binnen de kritische theorie: GORTZEN (1981); HONNETH (1987); KORTHALS (1989); MCCARTHY (1976).

2. Zie vooral HABERMAS (1969:146 168), vertaald als HABERMAS 1973).

3. De secundaire literatuur die samenvattingen en besprekingen biedt van HABERMAS’ theorie van het communicatieve handelen is ondertussen niet meer te overzien. Een aantal van deze bijdragen geeft evenwel een goede inleiding tot HABERMAS’ (bij momenten uitzonderlijk complexe) exposé (zie de klassieker van MCCARTHY 1989; en in het Nederlandse taalgebied: DE JONGHE 1982; KUNNEMAN 1984; WEYNS 1990). Bovendien verscheen van HABERMAS’ Theorie des Kommunikativen Handelsn een Nederlandse en zeer toegankelijke samenvatting (cf. KUNNEMAN 1985).

4. Voor algemene overzichten van de abolitionistische theorievorming verwijs ik naar. BLAD et al. (1987); VAN SWAANINGEN (1986,1988). Voor het (ontbreken van) abolitionisme in België: zie VAN HEERENTALS (1988).

5. Voor meer omstandige uiteenzettingen van Hulsman’s abolitionisme verwijs ik naar: HULSMAN (1982,1986a, 1986b); HULSMAN en BEPNAT DE CELIS (1982); DE PROOST (1990). Zie ook de aangehaalde literatuur in noot 5.

6. Voor zover mij bekend, hanteert Hulsman voor het eerst Habermasiaanse termen in Peines Perdues. Toevallig of niet spreekt hij er over ‘colonisés’ (HULSMAN en BERNAT DE CELIS 1982: 38).

7. In deze bijdragen vindt men nochtans geen bibliografische referenties naar HABERMAS’ werk. Tekenend is ook dat in een andere bijdrage omtrent dezelfde problematiek geen termen van HABERMAS voorkomen (cf. HULSMAN 1948b).

8. Zie met name de bemerkingen van VAN OUTRIVE (1983,1987,1988) (cf. VAN HEERENTALS 1988: 150 151).

9, Tekenend zijn in dit verband ook enkele recente werken in sociale controle die opgesmukt worden met snuifjes HABERMAS (incluis ellenlange bibliografieën) evenwel zonder enig bijkomend inzicht te reveleren (zie bijvoorbeeld: MELOSSI 1985,1990; NOGALA 1989).

10. Zie ook de kritieken van BARAK (1987) en BOHM (1987), die het radicaal of kritisch gehalte van de integratie bijdrage van GROVES en SAMPSON (1987a) in vraag stellen (zie ook de repliek van GROVES en SAMPSON 1987b).

11. Ik ga niet dieper in op dit probleem (dat Anthony GIDDENS ter sprake heeft gebracht, cf. GIDDENS 1987: 243 244) aangezien HABERMAS er zelf geen duidelijk standpunt over heeft verwoord (cf. KORTHALS en KUNNEMAN 1983: 296).

12. In dit verband kan worden opgemerkt dat HABERMAS in Theorie des Kommunikativen Handelns ietwat te eenzijdig vanuit het systeem naar de leefwereld heeft gekeken en zo de mogelijkheden tot leefwereldlijke ontkolonisering enigszins uit het oog heeft verloren, hetgeen HABERMAS zelf ook toegeeft (cf. KoRTHALs en KUNNEMAN 1983: 296).

13. Zie in dit verband trouwens de bijdrage van VAN SWAANINGEN over de historische wortels van het wetenschappelijk abolitionisme in Europa (Cf. VAN SWAANINGEN 1991).

14. Ik ga bier niet verder in op de Foucault inbreng in het abolitionisme (zie daarvoor: DE FOLTER 1986; VAN RANSBEEK 1989; VAN SWAANINGEN 1991:165 e.v.).

15. HABERMAS heeft zelf het werk van FOUCAULT bekritiseerd (cf. HABERMAS 1985a), en er is een hele discussie gewijd (waarvan ik de knelpunten in het schema kort weergeef) over het feit of beide benaderingen al dan niet kunnen geïntegreerd worden (zie: Dumm 1988; JAY 1989; KEULARTZ en KUNNEMAN 1986: 347 410; LAERMANS 1984,1986; VAN RANSBEEK 1989: 7 8; WHITE 1986).